Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.3.5
4.3.5 Centraal Insolventieregister (CIR)
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708406:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3, p. 6 en 22.
Reactie van de Raad voor de Rechtspraak op de consultatie van het wetsvoorstel Wet modernisering faillissementsprocedure van 17 maart 2016 (bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3, onder verwijzing naar HR 15 maart 2013, NJ 2013/173.
HR 8 juni 1962, NJ 1963/525.
Zie naast het reeds genoemde arrest HR 15 maart 2013, NJ 2013/173 o.a. HR 22 april 2005, NJ 2005/405.
Wessels Insolventierecht IV 2020/4074; Verstijlen, GS Faillissementswet, art. 67 Fw, aant. 2 (laatst bijgewerkt: 2 februari 2022); Hummelen, TvI 2016/4.
HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2765, NJ 2013/581, r.o. 3.4.2 (Lehman Brothers).
Reactie van de NOvA op de consultatie van het wetsvoorstel Wet modernisering faillissementsprocedure van 7 maart 2016 (bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3).
Zie ook Hummelen, TvI 2016/4, voetnoot 25.
Van Hees wijst op deze punten in Van Hees, FIP 2019/44.
Kamerstukken II 2016/17, 34740, nr. 3, p. 6 en 20.
Zo ook Schuijling & Veder, FIP 2016/273.
Hummelen, TvI 2016/4; Schuijling & Veder, FIP 2016/273 en Obdam, Bb2018/87.
Toelichting op het CIR Besluit, p. 13. Zie ook pagina 18 t/m 20 over de privacyaspecten.
Hiervoor is vermeld dat het faillissement op grond van artikel 19 Fw wordt gepubliceerd in het Centraal Insolventieregister. Daarnaast is vermeld dat faillissementsverslagen van rechtspersonen in het CIR worden gepubliceerd, hoewel hier nog geen wettelijke basis voor bestaat. Het CIR Besluit beoogt hierin verandering te brengen. Via artikel 19 lid 1 onder 8° Fw bevat artikel 2 van het CIR Besluit de grondslag voor publicatie van het faillissementsverslag, maar ook voor publicatie van een aantal andere stukken en gegevens zoals een reglement over de werkwijze van de schuldeiserscommissie, de datum, het tijdstip en de onderwerpen van schuldeisersvergaderingen en de leden van de schuldeiserscommissie.
Artikel 67 lid 3 Fw biedt de grondslag voor publicatie van beschikkingen van de rechter-commissaris in het CIR. Op grond van artikel 3 van het CIR Besluit wordt van een aantal beschikkingen het dictum opgenomen in het CIR en wordt een aantal beschikkingen aangekondigd. Het begrip ‘aankondiging’ lijkt te betekenen dat de beschikking nadien wordt gewezen, maar het gaat om een aankondiging nadat de beschikkingen zijn gewezen. Het begrip ‘afkondiging’ of ‘publicatie’ zou daarom meer op zijn plek zijn. Een aantal beschikkingen van de rechter-commissaris is niet opgenomen in artikel 3, maar in artikel 2. Kennelijk omdat het beschikkingen betreft waartegen geen hoger beroep ingesteld kan worden, wordt de grondslag gevonden in artikel 19 lid 1 Fw en niet in artikel 67 lid 3 Fw. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beschikking waarbij toestemming is gegeven voor onderhandse verkoop op grond van artikel 176 lid 1 Fw (art. 2 lid 2 onder 7° CIR Besluit).
Het doel van publicatie van beschikkingen van de rechter-commissaris is om met name schuldeisers beter in staat te stellen hun recht van beroep en cassatie uit te oefenen.1 De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) meent dat het niet zinvol is om die reden beschikkingen van de rechter-commissaris te publiceren. Uitsluitend schuldeisers die partij zijn bij de overeenkomst, waarmee gedoeld wordt op schuldeisers die een verzoek op grond van artikel 69 Fw hebben gedaan en schuldeisers tot wie de beschikking is gericht, zijn bevoegd hoger beroep in te stellen op grond van artikel 67 Fw.2 Dergelijke partijen raken volgens de Rvdr toch wel op de hoogte van de uitspraak. Dit standpunt van de Rvdr gaat mijns inziens niet in alle gevallen op. In 1962 overwoog de Hoge Raad dat iedere schuldeiser beroep in kan stellen tegen een beschikking waarbij de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven aan de curator om een schikking te treffen (art. 104 Fw).3 Hoewel dat standpunt zich slecht verhoudt tot latere jurisprudentie,4 wordt in de literatuur aangenomen dat dit arrest uit 1962 nog steeds gelding heeft.5 Daarnaast oordeelde de Hoge Raad in het faillissement van Lehman Brothers dat een schuldeiser beroep kon instellen tegen een beschikking van de rechter-commissaris waarbij onder meer een afwijkende wijze van stemming over een akkoord werd vastgesteld.6
De adviescommissie insolventierecht van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) meent dat het wel wenselijk is dat beschikkingen van de rechter-commissaris worden gepubliceerd in het CIR en meent daarnaast dat het wenselijk zou zijn als de wet zou bepalen dat deze beschikkingen onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van belanghebbenden.7 Dit is, gelet op de korte beroepstermijn van vijf dagen van artikel 67 Fw, geen overbodige luxe. Deze kennisgeving zou er naar mijn mening uit mogen bestaan dat partijen via het CIR op een door hen opgegeven mailadres een melding krijgen dat een beschikking van de rechter-commissaris is gepubliceerd.8 Als een dergelijke melding uitgaat, is het ook niet problematisch als de beroepstermijn voor werknemers ten aanzien van wie de rechter-commissaris een machtiging tot opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft gegeven ex artikel 67 lid 2 Fw gaat lopen op het moment dat de beschikking is gepubliceerd in het CIR. Van belang is dan wel dat duidelijk is om welke werknemers het gaat. Als dat door anonimisering van de beschikking niet duidelijk is, moeten de individuele werknemers alsnog op een andere wijze op de hoogte worden gesteld van de beschikking.9
De minister wil uiteindelijk alle, of in ieder geval zoveel mogelijk, relevante informatie over het faillissement opnemen in het CIR.10 Het streven om alle informatie over de afwikkeling van het faillissement op een centrale plek te plaatsen, is een goed streven.11 In dat kader is het wel opvallend dat een aantal stukken dat door eenieder ingezien kan worden op basis van het CIR Besluit niet verplicht in het CIR wordt gepubliceerd, maar nog steeds uitsluitend bij de griffie ter inzage wordt neergelegd.12 Het gaat dan bijvoorbeeld om de uitdelingslijst (art. 183 lid 1 Fw), de uitdelingslijst bij vereenvoudigde afwikkeling (art. 137d Fw) en een ontwerpakkoord (art. 139 Fw). In het CIR wordt wel opgenomen dat deze stukken ter griffie zijn neergelegd (art. 2 lid 2 onder 3°, onder 4° en onder 8° CIR Besluit). Dat laatste geldt bijvoorbeeld niet voor het verslag over de stand van de boedel en het proces-verbaal van de verificatievergadering (art. 137 Fw).
Uit de toelichting op het CIR Besluit blijkt niet waarom hiervoor is gekozen ten aanzien van deze specifieke stukken. In het algemeen is in de toelichting opgenomen dat van publicatie van een stuk wordt afgezien als publicatie tot een onevenredige belasting voor de rechterlijke macht leidt of een onevenredige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen bij het faillissement.13 Het ligt niet voor de hand dat publicatie leidt tot onevenredige belasting voor de rechterlijke macht. Uiteraard kost het tijd om deze stukken te publiceren in het CIR, maar daar staat tegenover dat het niet meer nodig is op andere wijze inzage te faciliteren. Het is mogelijk dat het feit dat vaak persoonsgegevens in de genoemde stukken zijn verwerkt heeft geleid tot deze keuze, maar in dat geval is het onduidelijk waarom ervoor gekozen is de lijsten van voorlopig erkende en betwiste vorderingen wel in het CIR te publiceren (art. 2 lid 1 onder 3° CIR Besluit). Naar mijn mening zouden ook deze stukken daarom gepubliceerd moeten worden in het CIR.