Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.3.3:16.3.3 Besluit van 1 december 1833
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.3.3
16.3.3 Besluit van 1 december 1833
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405761:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het door Van Limburg Stirum bepleite voortdurend overheidstoezicht werd in 1833 ingevoerd.1 Het departement van de Nationale Nijverheid en Koloniën moest goedkeuring geven aan de oprichting van de naamloze maatschappij en haar statuten, en nadien controleren of de voorwaarden waarop de goedkeuring was verleend en de statuten werden nageleefd. De verplichting tot het opnemen van een ontbindingsbepaling bij vermindering van het vermogen tot een bepaald percentage, werd ook opgenomen. Verder voorzag het besluit in de controle op inbreng in natura, door deskundigen die door de rechtbank van koophandel werden benoemd. Het besluit stelde ook een bij statuten ingesteld “reservefonds” verplicht voor de verkrijging van de Koninklijke Bewilliging en ging daarmee zelfs verder dan het voorstel van Van Limburg Stirum. Het besluit bepaalde tevens dat jaarlijks aan het Departement gerapporteerd diende te worden over de financiële staat van de vennootschap. De Koninklijke Bewilliging was een voorwaardelijke: indien de vennootschap niet aan alle vereisten voldeed, werd de bewilliging ingetrokken en verloor de vennootschap daarmee haar rechtspersoonlijkheid, “alles onverminderd de regten en belangen van derden”.2