Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.6.3
2.6.3 Positiewijziging van de betrokkenen bij de omzettende rechtspersoon
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS500136:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie P.L. Dijk & Tj. van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborg maatschappij, Deventer: Kluwer 2007, p. 123-124.
Dit gaat overigens veranderen: zie het wetsvoorstel tot ‘Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht’, Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 1-5.
Tj. van der Ploeg, ‘Moet de metamorfose van de rechtspersoon worden ‘erkend’?’, TVVS 1984, 5, p. 109-115. Ook L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss.), Deventer: Kluwer 1996, p. 42 vraagt zich af of de keuze van de wetgever voor de omzetting met behoud van rechtspersoonlijkheid wel gelukkig is.
Tj. van der Ploeg, ‘Moet de metamorfose van de rechtspersoon worden ‘erkend’?’, TVVS 1984, 5, p. 114.
Kamerstukken II 1987/88, 17 725, nr. 14.
Zie het oorspronkelijk voorgestelde art. 2:18 lid 2 BW, dat als volgt luidde: ‘Een vereniging kan zich in een coöperatieve vereniging, een onderlinge waarborgmaatschappij en een stichting omzetten, en omgekeerd. Een coöperatieve vereniging en een onderlinge waarborgmaatschappij kunnen zich in een naamloze vennootschap en een besloten vennootschap omzetten, en omgekeerd.’
De omzetting raakt niet alleen de rechtspersoon zelf, maar ook degenen die bij de rechtspersoon zijn betrokken, zoals de aandeelhouders van de BV en de NV, de leden van de vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij en schuldeisers. Met betrekking tot de stichting kan nog worden gedacht aan zogenoemde statutaire ‘aangeslotenen’, zoals donateurs of degenen die in aanmerking komen voor een uitkering van ideële of sociale strekking.1 De met de omzetting gepaard gaande wisseling van het toepasselijke recht, kan rechtstreeks consequenties hebben voor de verhouding tussen deze betrokkenen en de rechtspersoon. Deze consequenties zijn in het algemeen afhankelijk van de mate waarin het toepasselijke recht vóór en na de omzetting verschilt en daarmee dus van de concrete omzettingsvariant.
Na de omzetting van een rechtspersoon in een verwante rechtsvorm, zoals de omzetting van een BV in een NV en omgekeerd, zal voor betrokkenen doorgaans niet veel veranderen. De BV en de NV worden namelijk binnen Boek 2 BW op veel terreinen over één kam geschoren.2 Anders ligt dit bij omzettingen van een rechtspersoon in een niet-verwante rechtsvorm, zoals de omzetting van een stichting in een BV en omgekeerd. Daarbij is het zelfs mogelijk dat – ondanks het behoud van rechtspersoonlijkheid – sommige rechtsverhoudingen na de omzetting niet langer kunnen voortbestaan. Denk bijvoorbeeld aan de aandeelhoudersrelatie na de omzetting van een BV in een stichting. Vanuit het perspectief van betrokkenen kan materieel sprake zijn van een andere rechtspersoon. Dit was reden voor Van der Ploeg om te pleiten voor een systeem waarbij, kort gezegd, de omzetting in een structureel verschillende rechtspersoon gepaard gaat met ontbinding van de oude rechtspersoon in combinatie met de overgang van het vermogen op een nieuw opgerichte rechtspersoon.3 In dit verband merkte Van der Ploeg op:4
‘In het voorafgaande is gebleken dat in meer dan de helft van het aantal toegestane omzettingen er structurele wijzigingen in de rechtspersoon optreden. In feite wordt in die gevallen het ‘binnenwerk’ van de rechtspersoon geheel afgebroken en opnieuw opgebouwd. Voor betrokkenen krijgt de rechtspersoon een geheel ander aanzien dan vóór de omzetting. Voor hen is de rechtspersoon eigenlijk niet meer dezelfde. Vanuit de leer van de materiële kenmerken gezien ligt het in die gevallen inderdaad voor de hand niet meer het bestaan van dezelfde rechtspersoon aan te nemen, maar in verband met structurele verschillen van de interne opbouw vóór en na de omzetting uit te gaan van ontbinding van de oude en oprichting van een nieuwe rechtspersoon. Op deze wijze is de afbouw en de opbouw van de statutaire betrekkingen tussen de rechtspersoon en de daarbij betrokkenen op een wijze die aan alle belangen van de betrokkenen recht doet en wijze waarop zij mochten rekenen gegarandeerd.’
De wetgever vond de suggestie van Van der Ploeg om doelmatigheidsredenen niet nodig (zie par. 2.6.2 hiervóór). Sterker nog, bij de (vierde) nota van wijziging heeft de wetgever het toepassingsbereik van de voorgestelde omzettingsregeling verruimd.5 Aanvankelijk stond het voorgestelde art. 2:18 BW slechts open voor de door de wetgever zogenoemde onderling verwante rechtsvormen.6
De wetgever beschermt de belangen van de bij de rechtspersoon betrokkenen door middel van een aantal procedurele eisen alsmede een aantal aanvullende regelingen afhankelijk van de aan de orde zijnde omzettingsvariant. Zo is voor ingrijpende omzettingen zelfs een rechterlijke machtiging vereist. Ik bespreek de omzettingsprocedure in paragraaf 2.7 en de aanvullende regelingen in paragraaf 2.8.