Zekerheid voor de vastgoedfinancier
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/8.6.2.3:8.6.2.3 Een alternatieve benadering
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/8.6.2.3
8.6.2.3 Een alternatieve benadering
Documentgegevens:
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS625889:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Struycken & Wijnstekers 2016.
Hij is zijn aanspraak op de huur dan ook kwijt; de specifieke omstandigheden van het geval zullen bepalend zijn voor de vraag of dit voor de hypotheekhouder wel of niet gunstig is.
Meijer 1999, p. 21: voor toerekening van handelingen aan een ander is noodzakelijk dat daartoe een bevoegdheid bestaat (bevoegdheidscriterium).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om aan bovenstaande moeilijkheden te ontkomen, gooien Struycken en Wijnstekers het over een geheel andere boeg. Zij bepleiten een directe vertegenwoordigingsbevoegdheid bij het aangaan van huurovereenkomsten door een beherend hypotheekhouder.1 De hypotheekhouder gaat in dat geval huurovereenkomsten aan in naam van de hypotheekgever. In dat geval ontstaat een rechtsverhouding tussen hypotheekgever en huurder; terwijl de hypotheekhouder er als vertegenwoordiger tussenuit valt. De hypotheekhouder is op die manier op geen enkel moment als contractspartij aan de huurovereenkomst gebonden.
Vanuit het perspectief van de hypotheekhouder lijkt dit een welkome gedachte.2 Het zou ook de hiervoor beschreven onduidelijkheden omtrent de gesloten huurovereenkomsten wegnemen. Ik meen echter dat voor dit standpunt geen steun gevonden kan worden in de wettelijke regeling van beheer ex art. 3:267 BW. Wet noch wetsgeschiedenis geven aanleiding te denken dat de wetgever met die beheersbevoegdheid tevens een directe vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft willen scheppen. Zonder een dergelijke bevoegdheid kunnen handelingen van de hypotheekhouder niet aan de hypotheekgever worden toegerekend.3
Het enkele feit dat de beheersbevoegdheid van art. 3:267 BW geen vertegenwoordigingsbevoegdheid impliceert, betekent echter niet dat die niet op andere wijze te realiseren is. De hypotheekhouder kan immers in de hypotheekakte ook een volmacht bedingen, krachtens welke volmacht de hypotheekhouder namens de hypotheekgever huurovereenkomsten mag aangaan gedurende zijn beheer.4 Bij huurovereenkomsten die met gebruikmaking van die volmacht worden gesloten, valt de hypotheekhouder er evengoed als tussenpersoon tussenuit en is hij aan de huurovereenkomsten niet gebonden.