Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/10.3.2.1
10.3.2.1 Art. 4:36 BW
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS617994:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1965-1966, 3771, nr. 16 (Amendementen van de heer Van Rijckevorsel). In de toelichting werd verwezen naar een vergelijkbare regeling in art. 633 van het Zwitsers Burgerlijk Wetboek.
Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Boek 4, Deventer: Kluwer 2002, p. 654.
Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Boek 4, Deventer: Kluwer 2002, p. 655. Zie over – onder meer – de parlementaire verwikkelingen rondom dit amendement, J.M. Polak, Salaire differé en Agrarisch recht in de Tweede Kamer, De Pacht 1965, p. 254 e.v. Uit een en ander blijkt van de mogelijke rol van het uitgestelde loon in het kader van de bedrijfsopvolging. Zie daarover ook, W. Burgerhart, Als de knecht niet krijgt wat hem toekomt, zorgt de wetgever daar wel voor! Het salaire différé, TAR, november 2005, nr. 11. Zie ook hoofdstuk 3, § 2.
MvT, Kamerstukken II 1981-1982, 17 141, nr. 3, p. 34.
Asser-Perrick 6A, Erfrecht en schenking, Deventer: Kluwer 2002, p. 360.
Zie ook, W. Burgerhart, Bedrijfsopvolging Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten (preadvies KNB), Den Haag: Sdu Uitgevers 2005, p. 410. Op de vereenzelviging in de beide gemelde artikelen kom ik nog terug in paragraaf 4, en op het ontbreken daarvan in art. 4:36 BW in paragraaf 3.2.4.
Zie paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2.
Onder omstandigheden kan op grond van art. 4:36 BW aanspraak worden gemaakt op een som ineens, indien – zonder ontvangst van een passende beloning – arbeid is verricht in het door erflater uitgeoefende beroep of bedrijf. Zoals in paragraaf 3.1 aangegeven, beperkt mijn beschouwing over dit salaire différé zich tot de ‘objecteis’, het beroep of bedrijf van de erflater.
Een invulling dan wel – nadere – concretisering van deze eis ontbreekt in de wet en – zo zal hierna blijken – ook in de parlementaire geschiedenis.
Het salaire différé is destijds bij – nadien weer ingetrokken – amendement voorgesteld. Aanvankelijk luidde de gepresenteerde tekst voor lid 1 van art. 4.3.4.2d Ontwerp BW:
‘Een kind van de erflater dat in diens huishouding of bedrijf (cursivering, WB) gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, heeft recht op een billijke vergoeding, tenzij het van dit recht uitdrukkelijk afstand heeft gedaan.’1
Tijdens de mondelinge behandeling van het bedoelde amendement werd geconstateerd dat het uitgestelde loon wat ‘zijn grondslag en oorsprong’ betreft, agrarisch recht is. Het amendement kent aan het uitgestelde loon echter een bredere strekking toe, door het begrip ‘bedrijf’ te gebruiken, waardoor het ook van toepassing kan zijn op middenstandsbedrijven.2 Mede naar aanleiding van de vraag of het woord bedrijf niet beter vervangen kan worden door het woord onderneming, antwoord minister Samkalden als volgt:
‘Ik wil echter wel opmerken dat in dit wetsontwerp over de gehele lijn het woord “bedrijf” is gebruikt, en dan in de zin, waarin de heer Scholten graag het woord “onderneming” zag gebruikt. Dit is echter geen opmerking over de hoofdzaak en over die hoofdzaak zou ik toch nog gaarne iets zeggen.
De geachte afgevaardigde de heer Van den Tempel heeft er al op gewezen, dat wij hier bezig zijn met een vraagstuk, dat op onderscheidene groepen van de samenleving betrekking heeft. Het vraagstuk is naar voren gekomen in de landbouwsector, maar daar, zo heb ik begrepen, speelt het niet in de eerste plaats een rol in verband met die loonbetaling, maar het speelt een rol in verband met de mogelijkheid om, wanneer het bedrijf aan een van de kinderen moet worden toegewezen, de uitkeringen, die hij aan de andere gerechtigden moet doen, te verminderen met het uitgestelde loon, dat hij in het bedrijf heeft gewerkt, te goed heeft. Dat dit zo is en dat het in de bedrijfsoverneming een belangrijke rol speelt, is door het landbouwschap ook nadrukkelijk naar voren gebracht. Men heeft mij niet gevraagd om een algemene regeling, maar om een regeling in het kader van de bedrijfsoverneming. Dit wil niet zeggen, dat alle gevallen van bedrijfsoverneming daarmee zijn gedekt. De heer Van den Tempel heeft er terecht op gewezen, dat er ook een andere groep van bedrijven is, waar hetzelfde vraagstuk aan de orde is.’3
Het uitgestelde loon ‘keert terug’ in de Invoeringswet Boeken 3-6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (derde gedeelte). De destijds voorgestelde tekst haalt ongewijzigd de eindstreep.
Aan de voorgestelde tekst in het algemeen, noch aan het gebruik van ‘het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf’ in het bijzonder, wordt in de parlementaire behandeling aandacht besteed. In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat na enige aarzeling billijkheidsoverwegingen de doorslag vóór opneming hebben gegeven.
Het volgende wordt daaraan toegevoegd:
‘(…) men kan betreuren dat ouders hun kinderen zonder behoorlijke vergoeding geruime tijd voor zich werk laten verrichten dat economische waarde heeft, en hen zelfs niet in hun uiterste wil daarvoor belonen, ligt het geval er eenmaal, dan is het niet meer dan billijk aan zulke kinderen bij de verdeling der nalatenschap een krachtiger en omvangrijker recht te verlenen dan aan hun broers en zusters of andere erfgenamen.’4
De ‘objecteis’ van art. 4:36 BW krijgt ook in de literatuur weinig tot geen aandacht. Asser-Perrick 6A is het enige erfrechtelijke handboek dat daaraan enkele woorden wijdt:
‘De formulering van art. 4:36 sluit naar mijn mening uit het recht op een billijke vergoeding indien de arbeid is verricht in een door een besloten of naamloze vennootschap, waarvan de erflater alle aandelen hield en waarvan hij bestuurder was, uitgeoefend bedrijf en beroep. Arbeid door een kind verricht in een bedrijf of beroep uitgeoefend door een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap, waarvan de ouders de enige vennoten waren, valt naar mijn mening onder het bereik van de bepaling.’5
In deze conclusie kan ik mij grotendeels vinden. De wettekst biedt mijns inziens geen ruimte voor vereenzelviging van de rechtspersoon met haar aandeelhouder. Waar de wetgever dat wil, wordt het geregeld, zoals in art. 4:38 en art. 4:74 BW.6 Indien de arbeid wordt verricht in de onderneming die wordt uitgeoefend door een ‘v.o.f.’ of een ‘c.v.’ kan slechts aanspraak worden gemaakt op het salaire différé indien de ouders van die personenvennootschap de enige vennoten zijn. Waarom Perrick tot deze ‘strenge’ eis komt, wordt niet duidelijk.
In deze laatste – door Perrick geformuleerde – ‘objecteis’ kan ik mij niet vinden. Daargelaten dat men van mening kan verschillen over de vraag of het de betreffende personenvennootschap is, die het beroep of bedrijf uitoefent, quod non, is er gezien de ratio van het salaire différé, als ‘billijkheidsvergoeding’, mijns inziens geen enkele reden om een aanspraak daarop af te wijzen indien – naast een of beide ouders – ook anderen, wellicht de ‘thuiswerker’ zelf, van het samenwerkingsverband deel uitmaken. Een personenvennootschap heeft – ten minste – evenveel ondernemers, en dus ook ondernemingen, als er vennoten zijn; de personenvennootschap als samenwerkingsovereenkomst verbindt deze ondernemingen in obligatoire zin met elkaar. In de mate waarin de niet of onvoldoende beloonde arbeid – in economische zin – ten voordele heeft gestrekt van de ‘persoonlijke’ onderneming van een ouder, en welk ‘voordeel’ van diens nalatenschap deel uitmaakt, kan mijns inziens aanspraak op de som ineens als bedoeld in art. 4:36 BW worden gemaakt. Ook in die gevallen dient een ‘krachtiger en omvangrijker recht’ voor de thuiswerker dan voor zijn broers, zusters of andere erfgenamen beschikbaar te zijn; het salaire différé dient ook dan als genoegdoening voor de thuiswerker, zeker indien men bedenkt dat zonder deze faciliteit de door hem aan erflaters onderneming toegevoegde waarde bij gelijke gerechtigdheid van hem en zijn mede-erfgenamen tot erflaters nalatenschap, deels aan laatstbedoelden zou toekomen.7
Met dezelfde redenering in gedachten, zie ik geen reden om het salaire différé te beperken tot arbeid die is verricht in het beroep of bedrijf van erflater. Wat mij betreft, mag hierin een beroep of bedrijf worden gelezen. Mocht een erflater meer dan een onderneming drijven en verschillende thuiswerkers – zonder een passende beloning – in verschillende ondernemingen van hem werkzaam laten zijn, acht ik het onbillijk om hen na erflaters overlijden op grond van de letterlijke wettekst de bedoelde som ineens te onthouden.
Dat in de vorenstaande gevallen de bepaling van de omvang van de som ineens wellicht extra rekenkundige vraagstukken oproept, kan mijns inziens nimmer een argument zijn om een aanspraak op grond van art. 4:36 BW aan de desbetreffende thuiswerker te onthouden.
Zoals uit het vorenstaande blijkt, brengen Boek 4 BW, de parlementaire geschiedenis en de literatuur mij niet – veel – verder bij de invulling van de objecteis van art. 4:36 BW. Bij nadere beschouwing kom ik echter tot de conclusie dat daaraan niet meer of minder behoefte is, dan aan een invulling van de begrippen beroep of bedrijf in het vermogensrecht in het algemeen.8 Men kan door de plaatsing van art. 4:36 in Boek 4 BW in de afdeling betreffende de Andere wettelijke rechten op het verkeerde been worden gezet, indien men zoekt naar een ‘domeinspecifieke’ invulling van het aldaar bedoelde ondernemingsbegrip. Daaraan is echter geen behoefte, indien men bedenkt dat men slechts retrospectief dient te beoordelen óf erflater, tijdens diens leven, een beroep of bedrijf heeft uitgeoefend. Een erfrechtelijke connotatie ontbreekt naar mijn mening in het beroep of bedrijf van art. 4:36 BW. Voor de invulling van deze begrippen kan ik dan ook verwijzen naar hetgeen daarover in paragraaf 2.2 en paragraaf 2.3 is opgemerkt.