Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.8:4.8 Conclusies
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.8
4.8 Conclusies
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449767:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is aan de hand van de twee meest voorkomende akkoorden onderzocht wat de inhoud van een akkoord kan en mag zijn. Aangezien een akkoord een overeenkomst is, geldt ten aanzien van de inhoud van een akkoord in beginsel de contractsvrijheid. Geconstateerd is evenwel dat die contractsvrijheid wordt begrensd door ongeschreven randvoorwaarden, die voortvloeien uit aard, doel en strekking van het akkoord. Er kan echter veel, indien rekening wordt gehouden met onder meer tegenstemmers en afwezigen, de homologatie vereisten van art. 153 Fw, het feit dat niet van dwingend recht kan worden afgeweken en met de paritas creditorum.
Hoewel het genoemde gelijkheidsbeginsel ook bij een akkoord dient te worden gerespecteerd, is een inbreuk daarop onder omstandigheden toegestaan, indien daarvoor een rechtvaardiging aanwezig is. Het zal afhangen van de feiten en omstandigheden in het concrete geval of de gemaakte inbreuk op de paritas creditorum nog te rechtvaardigen is, zodat geen algemene regels gegeven kunnen worden. Een ondergrens zou wel kunnen worden gezien in de hiervoor besproken uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 1938, waaruit bleek dat een akkoord niet aan een bepaalde groep schuldeisers kan worden opgedrongen.
Art. 157 Fw dat bepaalt dat alle concurrente schuldeisers aan een gehomologeerd akkoord zijn gebonden, is van openbare orde. Met de gedwongen gebondenheid van art. 157 Fw heeft de wetgever niet alleen uitdrukking willen geven aan het gelijkheidsbeginsel, maar daarnaast ook het doel van het akkoord willen bereiken (sanering van de schuldenaar). Ik heb betoogd dat door die dwingendrechtelijke gebondenheid concurrente schuldeisers slechts aan een gehomologeerd akkoord worden gebonden voor zover het hun aanspraken jegens de schuldenaar betreft.
Uit het stelsel van de wet mag worden afgeleid dat boedelafstand door de schuldenaar in het kader van een liquidatie-akkoord een afgescheiden vermogen vormt. Daarnaast mag uit het stelsel van de wet worden afgeleid dat de schuldenaar, hoewel hij nadat het faillissement door een akkoord is geëindigd de beschikkingsbevoegdheid over zijn vermogen heeft herkregen, niettemin beschikkingsonbevoegd is ten aanzien van de goederen in het afgescheiden vermogen. Het kan immers niet zo zijn dat de schuldenaar in verband met het herkrijgen van de beschikkingsbevoegdheid de goederen in de afgestane boedel nog zou mogen vervreemden. Dat zou bovendien strijdig zijn met art. 153 lid 2 sub 2 Fw. Door een arrest van de Hoge Raad uit 1955 is het echter twijfelachtig of de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar van rechtswege wordt geblokkeerd. Om het risico uit te sluiten dat de schuldenaar wel beschikkingsbevoegd blijft ten aanzien van de afgestane boedel, zou aan de vereffenaar een privatieve last moeten worden verstrekt of de boedel van de schuldenaar zou aan een derde moeten worden overgedragen. Ik heb betoogd dat het wenselijk is dat een liquidatie-akkoord in verband met art. 153 lid 2 sub 2 Fw en de strekking van art. 50 Fw een privatieve last voor de vereffenaar zou moeten bevatten. Een vereffenaar neemt immers ten aanzien van het te gelde maken van het afgescheiden vermogen een vergelijkbare positie in als een curator bij een gerechtelijke vereffening. Ook hieruit mag worden afgeleid dat een vereffenaar beheers- en beschikkingsbevoegd is over het afgescheiden vermogen.
Ten slotte heb ik betoogd dat in een akkoord in beginsel slechts bepalingen kunnen worden opgenomen die betrekking hebben op de boedel van de schuldenaar. Eventuele verhaalsrechten van schuldeisers op derden kunnen in beginsel niet in een akkoord worden uitgesloten, tenzij schuldeisers daartegen geen bezwaar hebben. Instemmende schuldeisers kunnen derhalve aan dergelijke bedingen jegens de schuldenaar gebonden raken op grond van art. 6:217 BW. Het uitzonderingskarakter van art. 157 Fw brengt echter met zich dat schuldeisers die tegen hebben gestemd en schuldeisers die niet in het faillissement zijn opgekomen, niet aan genoemde bedingen gebonden zijn. Dergelijke bedingen hebben derhalve slechts een beperkte werkingssfeer.