Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/11.4.3
11.4.3 Wanneer bestaat recht op rentevergoeding bij abnormale vertraging?
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197391:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 3 juli 2003, nr. 38746/97 (Buffalo Srl en liquidation c. Italie), par. 37.
EHRM 3 juli 2003, nr. 38746/97 (Buffalo Srl en liquidation c. Italie), par. 38.
Vgl. EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88 (Hentrich v. France), par. 42 en 45.
HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, BNB 2016/140 m.nt. Albert. In dit overzichtsarrest heeft de Hoge Raad de uitgangspunten uiteen gezet voor de beoordeling voor verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij het doen van uitspraak door de rechter.
Vgl. EHRM 11 januari 2000, nrs. 29813/96 en 30229/96 (Almeida Garrett, Mascarenhas Falcão and Others v. Portugal). De belanghebbenden in die zaak moesten 24 jaar wachten tot de staat overging tot betaling van een onteigeningsvergoeding. In par. 54 overwoog het Hof: “[t]he delay is indisputably attributable to the State and neither the complexity of the authorities’ activities in that sphere nor the number of people entitled to compensation can justify a delay as long as that which has occurred here.” Naar analogie leid ik hieruit af dat de complexiteit van een zaak of het aantal rechthebbenden op een vergoeding in een voorkomend geval wel een rol van betekenis zouden kunnen spelen bij de bepaling van de redelijke termijn.
Alleen als de vertraging in de uitbetaling van de belastingvordering leidt tot een excessieve last of als er daardoor een fundamentele inbreuk wordt gemaakt op de financiële positie van de betrokkene, is de fair balance geschonden. Het is de vraag welke factoren in dezen relevant zijn. In ieder geval zijn de omvang van de vordering en de duur van de vertraging in de uitbetaling van belang. Het EHRM heeft echter niet alleen oog voor financiële aspecten. In Buffalo achtte hij het ook van belang dat een vertraging in de terugbetaling van belasting door de staat leidt tot onzekerheid voor de crediteur.1 Voorts is relevant of de belastingplichtige in de nationale procedure beschikt over een effectief rechtsmiddel om een rentevergoeding te vragen.2 Het ontbreken van een effectief rechtsmiddel wordt door het Hof wel vaker meegewogen in het kader van de proportionaliteitstoetsing, maar kan ook relevant zijn bij de beoordeling van de lawfulness.3
Gelet op de maatstaf van het EHRM is de hoogte van een vordering op zichzelf niet beslissend voor de fair balance-toets. Er moet immers beoordeeld worden of sprake is van een excessieve last, dan wel of een fundamentele inbreuk wordt gemaakt op de financiële positie van de belastingplichtige. Voor iemand die moet leven van een bijstandsuitkering kan het wachten op een belastingteruggaaf van € 1000 veel meer impact hebben op zijn financiële positie dan het wachten op een teruggaaf van miljoenen euro’s voor een multinational. Het zou voor de bijstandsgenieter bijvoorbeeld kunnen betekenen dat hij de huur niet kan betalen en daardoor op straat wordt gezet. Zou dit nu moeten betekenen dat het eigendomsrecht van de bijstandsgenieter wel is geschonden en dat van de kapitaalkrachtige multinational niet? Om dit soort vragen te voorkomen meen ik dat een rechter er daarom verstandig aan doet om als uitgangspunt te hanteren dat de staat bij een onredelijke vertraging in de uitbetaling van een belastingteruggaaf rente moet vergoeden, ongeacht de financiële positie van de belastingplichtige.
De vraag die dan resteert is wanneer een vertraging in de terugbetaling onredelijk is. In de belastingzaken die zijn voorgelegd aan het EHRM ging het om forse vertragingen (in Buffalo om 5-10 jaar en in Eko-Elda AVEE om 5 jaar) en kon er geen twijfel over bestaan dat de redelijke termijn was overschreden. Thomas meent dat het EHRM er goed aan zou doen om vuistregels te geven voor wat als een redelijke termijn kan worden beschouwd bij een teruggaaf van belasting en vanaf welk moment recht bestaat op een schadevergoeding.4 Ik verwacht niet dat het EHRM zich hiertoe zal laten verleiden. Dat lijkt me gelet op de grote verschillen tussen de (belasting)jurisdicties in Europa ook niet verstandig. Het probleemgebied is voor hem als subsidiaire rechter moeilijk te overzien. Het creëren van vuistregels is meer iets wat op de weg ligt van de nationale autoriteiten. In dit verband kan gewezen worden op de gedetailleerde regels die de Hoge Raad heeft ontwikkeld om te bepalen of er binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan door de rechter.5 Zolang er geen vuistregels zijn gegeven door het EHRM of de nationale autoriteiten, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of sprake is van undue delay bij terugbetaling van belasting. Bij de bepaling van de redelijke termijn zal acht geslagen moeten worden op alle omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij onder meer een rol kunnen spelen zijn de complexiteit van een zaak en het aantal rechthebbenden op betaling.6