Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.7
3.7 Omvang van beroepsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603459:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (24 november 1959), UN Doc A/C.3/ SR.966, p. 280; zie verder Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (19 tot 25 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.963, p. 270; en Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (19 tot 25 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.965, p. 277.
Zie ook General Comment 2007/32, onderdeel 48, waarin in navolging van veel oordelen van de controle van ‘conviction and sentence’ wordt gesproken.
Zo ook Dubbink 1995, p. 450, voetnoot 16; Krabbe 2004, p. 191; Trechsel 2005, p. 368.
Explanatory Report 1984, onderdeel 17.
ECRM 9 september 1992 (ontv.), nr. 19028/91 (Nielsen/Denemarken); ECRM 30 november 1994 (ontv.), nr. 22015/93 (Jakobsen/Denemarken); zo ook Krabbe 2004, p. 191; Trechsel 2005, p. 368; zie wat grofmaziger Stravros 1990, p. 269.
ECRM 9 september 1992 (ontv.), nr. 19028/91 (Nielsen/Denemarken); ECRM 30 november 1994 (ontv.), nr. 22015/93 (Jakobsen/Denemarken)
Zo ook Krabbe 2004, p. 191; anders Dubbink 1995, p. 450.
Zo ook HR 7 mei 1996, NJ 1996/584.
Het recht op beroep schrijft voorts voor welke omvang de rechtsmiddelcontrole moet hebben. Tussen de beide verdragsbepalingen bestaat op dit punt een opvallend verschil. Volgens het IVBPR moeten conviction and sentence worden beoordeeld, volgens het EVRM conviction or sentence. Iets preciezer beschouwd valt het thema van de omvang van beroep in drie kwesties uiteen.
De eerste vraag is of de nationale wetgever de mogelijkheid van beroep tot bepaalde onderdelen van het veroordelende vonnis mag beperken. Het Comité heeft zich hierover nog niet uitgelaten, maar de totstandkomingsgeschiedenis van het IVBPR geeft reden tot voorzichtigheid. Tijdens het debat over de verschillende tekstvoorstellen voor artikel 14 lid 5 IVBPR is er diverse keren op gewezen dat in verschillende landen voor bekennende verdachten een beperkt hoger beroep of alleen een strafmaatappel openstaat. Zo was de Britse afgevaardigde Buxton van opvatting dat in artikel 14 IVBPR “it should have been specified that an individual who had pleaded guilty did not have the right to have his conviction reviewed by a higher tribunal”.1 Het is goed mogelijk dat het Comitémet deze verdragsgeschiedenis en statenpraktijk rekening houdt indien het wordt geconfronteerd met klachten op dit punt. Vooralsnog neem ik conform de tekst van het verdrag echter aan dat een veroordeelde op basis van het IVBPR altijd zowel de schuldvaststelling als de sanctieoplegging aan een hoger gerecht moeten kunnen voorleggen.2
Zeer strikte lezing van artikel 2P7 EVRM doet de gedachte opkomen dat een staat een rechtsmiddel zo mag inrichten dat een veroordeelde gehouden is te kiezen: ofwel in beroep tegen enkel de schuldigverklaring, ofwel louter tegen de sanctieoplegging. Dit is echter te beperkt gedacht. Beperking van het recht op beroep tot enkele schuldigverklaringen ontneemt aan dit recht in de meeste gevallen zijn zin,3 de sanctieoplegging blijft immers buiten beschouwing. Het openstellen van beroep tegen enkel de strafoplegging dient wel een doel, maar lijkt niet zonder meer aanvaardbaar. Het Explanatory Report vermeldt namelijk dat artikel 2 P7 EVRM niet vereist dat een veroordeelde in elke zaak “should be entitled to have both his conviction and sentence so reviewed. Thus, for example, if the person convicted has pleaded guilty to the offence charged, the right may be restricted to a review of his sentence.”4 Op de hierin opgenomen toespitsing op een bekennende verdachte baseerde de Europese Commissie het oordeel dat de omvang van het recht op beroep niet in het algemeen mag worden beperkt tot bijvoorbeeld strafmaatappellen.5 Het recht op beroep uit artikel 2 P7 EVRM garandeert dus in beginsel dat schuldvaststelling én strafoplegging kunnen worden herbeoordeeld. Mogelijk uitsluitend in bijzondere gevallen mag de omvang van het beroep door de wetgever worden beperkt.
Ten tweede rijst de vraag of de verdachte aan de verdragen een recht kan ontlenen partieel beroep in te stellen, door bijvoorbeeld bij een voordelige bewezenverklaring enkel tegen de straf in beroep te gaan. Comité noch EHRM heeft hierover geoordeeld. Wel heeft de ECRM in een speculatieve overweging een dergelijke uitleg denkbaar geacht: “the use of the word ‘or’ could also be interpreted as referring to the possible choice by the individual concerned, taking into account that some national systems permit an application for review to be limited to the sentence”.6 Het hier gemaakte voorbehoud ten aanzien van het nationale recht maakt in elk geval duidelijk dat de veroordeelde niet aan het verdrag zelf het recht op beperking van de omvang van zijn beroep kan ontlenen. Een en ander is daarmee aan de staten zelf overgelaten.7
Daarmee is ook de derde en laatste vraag beantwoord, namelijk of het in strijd is met het verdragsrecht om beroep alleen onbeperkt open te stellen. Immers, daardoor kan een verdachte worden gedwongen te kiezen tussen twee kwaden: of geen beroep of beroep tegen het gehele vonnis, met alle risico’s op verslechtering van zijn rechtspositie van dien. Het citaat uit het oordeel van de ECRM duidt erop dat een verbod op partieel beroep toelaatbaar is.8