Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.5.1
2.5.1 De Wet van 1950
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS482580:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Deze lauwe reacties betroffen met name de bevoegdheden die een ondernemingsraad in de visie van de commissie Van Rhijn zouden worden toegekend.
Kamerstukken II, 884, nr. 3, p. 4 en Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11.
Kamerstukken II, 884, nr. 3, p. 4 en Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11.
Kamerstukken II, 884, nr. 4, p. 7. Een meerderheid van de leden van de in 1946 door de Stichting van de Arbeid ingestelde commissie ‘ter bestudering van het vraagstuk van samenwerking in de particuliere onderneming’ was dezelfde mening toegedaan.
Wet houdende regelen omtrent ondernemingsraden, Stb. K 174.
Voor de toepassing van de wet waren in de onderneming werkzaam de werknemers die 21 jaar of ouder waren en die tenminste twee jaar in de onderneming werkzaam waren (art. 10 lid 2).
Dat de wet het hoofd of de bestuurder de verplichting oplegt de ondernemingsraad inlichtingen te verschaffen resp. te informeren, is tekstueel wat eigenaardig, aangezien dat hoofd of die bestuurder zelf deel uitmaakt van de ondernemingsraad.
De lauwe reacties op het door de Commissie Van Rhijn gepresenteerde ontwerp,1 de geheel eigen sfeer en taak van ondernemingsraden die velen voor ogen stond, en de vrees dat de instelling van een ondernemingsraad afhankelijk zou worden van de vraag of voor de betreffende bedrijfstak een bedrijfschap zou zijn ingesteld,2 brachten de regering er toe de medezeggenschap te regelen in een aparte wet. In navolging van de Commissie Van Rhijn koos de regering niet voor de instelling van kernen, fabriekscommissies of een andere vorm van vertegenwoordiging van personeel tegenover de ondernemer, maar voor een orgaan van gezamenlijk overleg waarvan zowel het hoofd van de onderneming als een afvaardiging van de werknemers deel uitmaakten.3 Juist deze geest van samenwerking, die de jaren na de Tweede Wereldoorlog zo kenmerkte, maakte dat het verschaffen van een wettelijke basis voor de instelling van ondernemingsraden niet geheel onomstreden was. Een aantal Kamerleden was van mening dat die geest meer tot zijn recht zou komen indien instelling op basis van vrijwilligheid zou geschieden. Aan een wettelijke grondslag bestond volgens hen geen behoefte.4 De regering zag evenwel niets in een dergelijke vrijblijvendheid, en op 4 mei 1950 nam de Eerste Kamer de Wet op de ondernemingsraden aan.5 Art. 2 lid 1 van de wet verplichtte het hoofd of de bestuurder van ondernemingen waarin tenminste 25 werknemers werkzaam waren een ondernemingsraad in te stellen. Met de wet maakte de regering de principiële keuze medezeggenschap van werknemers niet vorm te geven via de organen van de rechtspersoon die de onderneming in stand hield, maar direct in de onderneming.
In weerwil van de reacties daarop, was het wetsvoorstel dat de regering op 1 juli 1948 indiende inhoudelijk voor een deel gestoeld op het advies van de Commissie Van Rhijn, met name waar het ging om de samenstelling (dat wil zeggen inclusief het hoofd of de bestuurder van de onderneming) en de aan de ondernemingsraad toebedeelde taak: het naar vermogen bijdragen aan het zo goed mogelijk functioneren van de onderneming (art. 4 lid 1 van het wetsvoorstel, uiteindelijk als art. 6 lid 1 beland in de Wet van 1950). Instelling van een ondernemingsraad werd verplicht voor ondernemingen waarin tenminste 25 werknemers werkzaam waren (art. 2 lid 1).6 De verplichting kwam te rusten op het hoofd of de bestuurder van de onderneming (art. 2 lid 1). Deze zou tevens voorzitter van de ondernemingsraad zijn (art. 9). Zoals eerder al ter sprake kwam, ademde de Wet van 1950 een sfeer van samenwerking die kenmerkend was voor het tijdsgewricht waarin de wet tot stand kwam. De wet bevatte in artikel 6 lid 2 een limitatieve opsomming van de bevoegdheden die de ondernemingsraad ter vervulling van zijn taak ten dienste stonden. Het betrof hoofdzakelijk bevoegdheden op sociaal gebied: het behandelen van wensen, bezwaren en opmerkingen vanuit het personeel, voor zover die van belang waren voor de positie van de werknemers in de onderneming, het houden van toezicht op de naleving van arbeidsvoorwaarden en verschillende andere wettelijke regelingen, en het adviseren en het doen van voorstellen die tot verbetering van de technische en economische gang van zaken in de onderneming zouden kunnen bijdragen. Artikel 6 lid 3 verplichtte het hoofd of de bestuurder van de onderneming de ondernemingsraad de voor zijn taak benodigde inlichtingen te verschaffen en periodiek mededeling te doen omtrent de economische gang van zaken in de onderneming.7 Veelzeggend voor de daadwerkelijke machtsverhoudingen binnen de onderneming was de toevoeging aan art. 4 lid 1 van het ontwerp, óók ontleend aan de Commissie Van Rhijn, ‘onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer’. Deze toevoeging, uiteindelijk beland in art. 6 lid 1 van de Wet van 1950, kan men niet los zien van het feit dat sprake was van een compromis van voor- en tegenstanders van een bij wet geregelde, verplichte medezeggenschap van werknemers in de onderneming.