Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488613:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Mr. dr. A.A. van Rhijn was destijds secretaris-generaal op het departement van sociale zaken. Het was de toenmalige minister van sociale zaken Drees die de Commissie Van Rhijn instelde.
Zie hiervoor onder meer Windmuller 1970, p. 270 e.v.
Deze minderheid was bevreesd dat indien de regeling van de ondernemingsraad zou worden opgenomen in die van de publiekrechtelijke organisatie van het bedrijfsleven, de daadwerkelijke instelling van ondernemingsraden nog geruime tijd op zich zou laten wachten.
Bij zijn aantreden in 1945 gaf het kabinet Schermerhorn te kennen het wenselijk te achten binnen ondernemingen van zekere omvang ondernemingsraden te vormen voor georganiseerd overleg tussen de ondernemer en vertegenwoordigers van het personeel. Op verzoek van het kabinet bracht de Stichting van de Arbeid op 6 januari 1947 een advies uit, dat grotendeels was gebaseerd op een rapport van de door de Stichting ingestelde commissie ‘ter bestudering van het vraagstuk van samenwerking in de particuliere onderneming’. De Stichting van de Arbeid sprak zich slechts in algemene bewoordingen uit voor een wettelijke regeling van samenwerking in de onderneming, en schetste enige uitgangspunten waaraan de regeling zou moeten voldoen.
Toen duidelijk werd dat het advies van de Stichting van de Arbeid in hoofdzaak beperkt zou blijven tot algemene uitgangspunten, stelde de Minister van Sociale Zaken bij beschikking van 21 december 1946 een commissie in die als gerichte opdracht kreeg ‘het vraagstuk eener wettelijke regeling van het instituut der ondernemingsraden nader te bestuderen’. Deze commissie, naar haar voorzitter beter bekend als de Commissie van Rhijn,1 bracht op 19 september 1947 een rapport uit. De meerderheid van de leden van de commissie stelde zich op het standpunt dat een wettelijke regeling van medezeggenschap door ondernemingsraden onderdeel zou moeten uitmaken van een regeling van de publiekrechtelijke organisatie van het bedrijfsleven.2 Een minderheid was van mening dat een aparte wettelijke regeling meer op zijn plaats zou zijn.3 Overeenkomstig het meerderheidsstandpunt bevatte het rapport van de Commissie Van Rhijn een partieel ontwerp van wet met een memorie van antwoord, als onderdeel van een wettelijke regeling van de publiekrechtelijke organisatie van bedrijven. Art. 2 lid 1 van het ontwerp kende bedrijfschappen de bevoegdheid toe aan het hoofd dan wel aan de bestuurder van alle, dan wel van bepaalde, tot zijn gebied behorende ondernemingen de verplichting op te leggen een ondernemingsraad in te stellen. Dit hoofd resp. deze bestuurder zou voorzitter zijn van de ondernemingsraad (artikel 4 lid 1). De raad zou als taak hebben naar vermogen bij te dragen aan het zo goed mogelijk functioneren van de onderneming (artikel 3 lid 1). Verdere invulling van taak en bevoegdheden van de ondernemingsraad werden in het ontwerp overgelaten aan de bedrijfschappen.