Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.5.5
2.5.5 De wetswijziging van 1979
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481366:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
De staking en de bedrijfsbezetting bij Enka Glanzstoff in september 1972 mag daarbij niet onvermeld blijven.
Het betrof hier met name discussie tussen vakorganisaties en ondernemingsraden. Aan het slot van zijn adviesaanvrage refereert de minister met zoveel woorden aan deze discussie: ‘Een belangrijke vraag bij de eventuele uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraden is uiteraard die van de verhouding tussen de werkzaamheden van deze raden en het zogenaamde bedrijvenwerk van de werknemersorganisaties. Het is de regering bekend, dat zich op dit punt markante meningsverschillen voordoen.’. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat de regering in 1976 indiende (Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 3, p. 24) wordt met zoveel woorden aan deze spanningen gerefereerd.
SER-advies 1974/14.
Deze beide opvattingen worden ook wel aangeduid als de monistische resp. de dualistische zienswijze. In de Memorie van Antwoord bij het in 1969 ingediende wetsvoorstel (Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 6, p. 8) wordt gesproken van het ‘tweezijdige karakter’ van de ondernemingsraad dat naar voren komt uit de woorden ‘en de vertegenwoordiging van’.
Op zich bestond over dit schrappen eenstemmigheid, maar een deel van de SER-leden verbond daaraan de voorwaarde dat de bestuurder deel zou blijven uitmaken van de ondernemingsraad.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 2.
Dit bracht sommigen er toe niet langer te spreken van een ondernemingsraad, maar van een personeelsraad.
SER-advies 1972/16.
Kamerstukken II 1974-1975, 13 350, nr. 2. Vanwege de materiële samenhang met het kort daarop (in juni 1976) ingediende wetsvoorstel tot een algehele herziening van de Wet op de ondernemingsraden (Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 2), is de invoering van een beroepsrecht uiteindelijk deel gaan uitmaken van laatstbedoeld wetsvoorstel (Brief van de minister van sociale Zaken van 9 april 1976, Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 5).
Zo zou het adviesrecht onder meer worden uitgebreid tot voorgenomen besluiten tot het overnemen of afstoten van de zeggenschap over een andere onderneming (art. 25 lid 1 en onder b) en tot een belangrijke wijziging in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming (art. 25 lid 1 en onder e).
Hoewel pas twee jaar voordien een nieuwe Wet op de ondernemingsraden was ingevoerd, kondigde het kabinet Den Uyl in zijn regeringsverklaring aan de SER op korte termijn te vragen een advies uit te brengen ‘over het functioneren van de ondernemingsraden, hun structuur en samenstelling, uitbreiding van hun bevoegdheden en hun verhouding tot het bedrijf en werk’. In de adviesaanvrage van 3 oktober 1973 voert minister Boersma van Sociale Zaken ter onderbouwing van het verzoek onder meer aan dat tijdens recente stakingen1 was gebleken dat de rol van de ondernemingsraad op kritieke momenten aanleiding tot discussie gaf,2 en dat het kabinet een zo groot mogelijke democratisering van besluitvorming in ondernemingen wenselijk achtte. Dit laatste kan wellicht niet los worden gezien van de (gematigd) progressieve signatuur van het kabinet Den Uyl. De SER kwam tot een verdeeld advies,3 zowel wat betreft de taak en de samenstelling als wat betreft de werkwijze en de bevoegdheden van de ondernemingsraad. Over diverse vragen werd verschillend gedacht. Ik noem er enige: moet de bestuurder wel of geen deel uitmaken van de ondernemingsraad, is de ondernemingsraad een orgaan van overleg tussen werknemersvertegenwoordiging en ondernemingsleiding of ook een orgaan dat tot taak heeft de werknemers te vertegenwoordigen tegenover de ondernemingsleiding, 4 kan een zwaarwichtig belang een rechtvaardiging blijven om geen advies te vragen aan de ondernemingsraad,5 moet de ondernemingsraad een adviesrecht krijgen met betrekking tot een voorgenomen benoeming of ontslag van de bestuurder van de onderneming?
In juni 1976 werd uiteindelijk een wetsvoorstel ingediend.6 Een belangrijke ideologische wijziging ten opzichte van de bestaande wet betrof de positie van de bestuurder van de onderneming: deze maakt in het wetsvoorstel geen deel meer uit van de ondernemingsraad, hetgeen in feite een terugkeer betekende naar een samenstelling van Kernen, Fabrieksraden enz. zoals die voor de Tweede Wereldoorlog bestonden.7 In tijd zien we tussen 1950 en 1979 de volgende ontwikkeling: de wetgever beschouwde de ondernemingsraad in 1950 nog als een orgaan van samenwerking tussen leiding en werknemers, in 1971 werd de raad een orgaan waarbinnen overleg tussen leiding en vertegenwoordigers van werknemers plaats vond, vanaf 1979 is de raad nog slechts een orgaan dat werknemers vertegenwoordigt en in die hoedanigheid een wezenlijke functie vervult bij het overleg met de ondernemingsleiding. Dat overleg vindt sinds 1979 niet meer plaats in de ondernemingsraad, maar in de overlegvergadering (artikel 23 WOR), waarvan men de invoering niet los kan zien van de wijziging van de samenstelling van de ondernemingsraad. De ondernemer, vertegenwoordigd door de bestuurder, en de ondernemingsraad zijn in 1979 voor toepassing van de WOR verzelfstandigd. Zowel in het SER-advies met betrekking tot een beroepsrecht van werknemers8 als in het daarop gebaseerde wetsontwerp tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden dat op 13 maart 1975 werd ingediend,9 was in zekere zin vooruitgelopen op een ondernemingsraad waarvan de bestuurder niet langer deel uitmaakt. De bestuurder zou uitgesloten worden van deelname aan stemming over het instellen van beroep tegen besluiten als bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de Wet van 1971; het beroep zou zich immers kunnen richten tegen besluiten waarvoor de betreffende bestuurder (mede) verantwoordelijk was.10 Een ander wezenlijke onderdeel van het in 1976 ingediende wetsvoorstel betrof een verdere uitbreiding van de advies- en instemmingsrechten van de ondernemingsraad.11 Het wetsontwerp bevatte ook een regeling met betrekking tot de overlegvergadering. Zo bepaalde art. 23 lid 1 van het ontwerp dat een dergelijke vergadering minimaal zes keer per jaar zou moeten plaatsvinden, en dat in tenminste twee daarvan de algemene gang van zaken binnen de onderneming besproken zou moeten worden (art. 24 lid 1 van het ontwerp). In laatstbedoelde vergaderingen zouden de commissarissen van de vennootschap dan wel de bestuurders van de meerderheidsaandeelhouder aanwezig dienen te zijn (art. 24 lid 2 van het ontwerp). De ondernemingsraad zou ook zelf gespreksonderwerpen aan de orde kunnen stellen (art. 23 lid 3 van het ontwerp), en advies over de in art. 25 WOR bedoelde voorgenomen besluiten zou de ondernemingsraad pas hoeven uit te brengen nadat de betreffende aangelegenheid minstens één maal in de overlegvergadering was gesproken (art. 25a lid 1 van het ontwerp). Dit alles overziend kan men zeggen dat de medezeggenschap in 1979 een volwassen karakter heeft gekregen.