Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.4
7.4 Instellen van een eis door de schuldenaar niet vereist
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950295:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.3.
HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1453, NJ 1995/26 (Dinjens/Visser), r.o. 3.4. Onder verwijzing naar deze overweging is in HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2519, NJ 1998/169 (Kloth/Stripac), r.o. 3.5 overwogen dat voldoende is dat degene die zich op het opschortingsrecht beroept daarbij duidelijk te kennen geeft dat hij verlangt dat de wederpartij alsnog behoorlijk nakomt, en dat hij in dat geval ook zijnerzijds zal nakomen. Vgl. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/36, die eveneens opmerkt dat een eis in reconventie niet vereist is voor een opschortingsverweer.
Zie § 1.7, § 2.5.1 en § 7.2.1.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 211, antwoord op vraag b.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 211, antwoord op vraag b.
Zie § 2.5.2.
Zie bijv. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven).
Zie bijv. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings). Zie over dit arrest ook Dammingh en Klomp 2014 en Smit 2014.
Een opschortingsbevoegdheid is tevens een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een vordering die hij op zijn wederpartij heeft. Voor het inroepen van een opschortingsrecht is daarom niet vereist dat de schuldenaar een eis in rechte instelt. Veelal zal een opschortingsverweer wel gepaard gaan met een door de schuldenaar ingestelde eis. Dat kan een eis in conventie of in reconventie ex artikel 136 e.v. Rv zijn.
Wanneer aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd. Deze opschortingsbevoegdheid is tevens een verweermiddel van de schuldenaar in verband met de vordering die hij op zijn wederpartij heeft. Voor het inroepen van een opschortingsrecht als verweer is voldoende dat de schuldenaar voldoende duidelijk maakt dat hij verlangt dat zijn wederpartij alsnog behoorlijk nakomt en dat hij in dat geval ook zijnerzijds zal nakomen.1 Niet is vereist dat de schuldenaar in rechte een eis instelt:
“Indien het Hof heeft bedoeld dat het beroep op voormelde exceptie faalt op de enkele grond dat door Dinjens geen vordering (in rechte) is ingesteld, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het slagen van een beroep op die exceptie is immers in beginsel voldoende dat degene die zich erop beroept ten verwere tegen een eis tot nakoming, duidelijk te kennen geeft alsnog van de wederpartij nakoming te verlangen.
Mocht het Hof evenwel tot uitdrukking hebben willen brengen dat Dinjens ten processe niet te kennen heeft gegeven dat zij van Vissers alsnog nakoming van de krachtens de overeenkomst op Vissers rustende verplichtingen verlangde, dan is dit oordeel van het Hof niet voldoende gemotiveerd in het licht van de in het onderdeel geciteerde passages uit de gedingstukken.”2
Het moeten instellen van een eis in rechte door de opschortingsbevoegde schuldenaar zou zich ook niet verhouden met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar een opschortingsrecht zowel binnen als buiten rechte bij wijze van verweer kan inroepen.3 Voor ‘de schuldenaar’ in artikel 6:52 lid 1 BW moet dan ook geen ‘gedaagde in conventie’ worden gelezen.4 In dat kader is in de parlementaire geschiedenis eveneens opgemerkt dat wanneer de schuldenaar een opschortingsverweer voert, dit nog niet gepaard behoeft te gaan met een eis in reconventie:
“Voor de bevoegdheid tot opschorting is geen proces nodig. Komt er wellicht een proces, dan behoeft er ook geen sprake te zijn van vorderingen in conventie en in reconventie. Berust het verweer van de tot betaling aangesprokene bij voorbeeld op de bewering dat de hem aangeboden prestatie ondeugdelijk was, dan zal hij vaak de wederpartij niet meer in de gelegenheid willen stellen om dit verzuim goed te maken, omdat hij deze prestatie inmiddels reeds van een ander betrokken heeft.”5
Het in dit citaat genoemde voorbeeld is wat ongelukkig, omdat niet helder is van welke verbintenis van de wederpartij de schuldenaar nakoming verlangt, laat staan dat de schuldenaar in dit voorbeeld duidelijk maakt dat hij verlangt dat zijn wederpartij die vordering alsnog behoorlijk nakomt en hij in dat geval ook zijnerzijds zal nakomen. Het lijkt in dit voorbeeld eerder het tegendeel te zijn. Het opschortingsverweer kan evenwel niet leiden tot verval van de verbintenissen over en weer of van één van die verbintenissen.6 Voor zover deze schuldenaar stelt opschortingsbevoegd te zijn in verband met een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie van zijn wederpartij, staat die vordering naar haar aard niet in de weg aan het instellen van een eis in reconventie. Dat geen sprake behoeft te zijn van een eis in reconventie van de opschortingsbevoegde schuldenaar houdt dan ook niet zo zeer verband met de vraag of de schuldenaar nog nakoming van zijn wederpartij verlangt of de aard van zijn vordering, maar van het gegeven dat de opschortingsbevoegdheid een verweermiddel is waarmee de schuldenaar een vordering van zijn wederpartij beoogt af te weren.
Niettemin gaat het voeren van een opschortingsverweer niet zelden gepaard met het instellen van een eis door de schuldenaar. De schuldenaar is dan niet noodzakelijkerwijs gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie, al zal dat wel vaak het geval zijn. Bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar zich in conventie tegen een van hem gevorderde betaling van de koopsom verweert met een beroep op een opschortingsrecht in verband met zijn vordering tot schadevergoeding op grond van een wanprestatie onder dezelfde koopovereenkomst en hij in reconventie veroordeling tot betaling van deze schadevergoeding vordert.7 De schuldenaar kan evenwel ook eiser in conventie en gedaagde in reconventie zijn. Zo kan de schuldenaar in conventie nakoming vorderen van herstelwerkzaamheden en in reconventie een opschortingsverweer voeren tegen een vordering tot betaling van facturen voor verrichte werkzaamheden in verband met zijn vordering in conventie.8