Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.3
7.3 Niet ambtshalve toepassen van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950370:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 994. Aldus ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/351; Asser/Sieburgh 6-I 2020/287; Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/48; Kruissen 2008, p. 38 en concl. A-G Keus 23 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3531, par. 2.19. Zie ook Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/280, die het moeten inroepen van het algemene opschortingsrecht door de schuldenaar afleidt uit het woord ‘indien’ in art. 6:52 lid 1 BW.
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 28 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:8463, r.o. 3.10.
Zie bijv. Hof Amsterdam 11 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1955, r.o. 3.10, waarin het hof oordeelde dat wel is gesteld dat een beroep op opschorting had kunnen worden gedaan, maar dat daarmee niet is gesteld dat en wanneer een beroep op opschorting is gedaan. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2347, r.o. 3.7.2 (“Niet voldoende is dat de schuldenaar de bevoegdheid tot opschorting had, als hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.”); Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1368, r.o. 4.5 en Rb. Noord-Holland 21 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11233, r.o. 5.69 (‘wel gedreigd met het opschorten van zijn werkzaamheden maar hij heeft hieraan geen gevolg gegeven’). Zie bijv. ook Rb. Gelderland 12 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3911, r.o. 5.1, Rb. Overijssel 5 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1304, r.o. 5.8 en 5.10, alsook Rb. Zeeland-West-Brabant 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:7081, r.o. 3.4, die oordeelden dat de schuldenaar het rechtsgevolg van opschortingsbevoegdheid wel aan een tekortkoming van de wederpartij moet verbinden.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205 en 208. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/74; Asser/Sieburgh 6-I 2020/287; Asser/Hijma 7-I 2019/563; Kruissen 2008, p. 38; Thoe Schwartzenberg 2008, p. 19, voetnoot 17 en Linssen 1993, p. 167. Zie voorts concl. A-G Keus 23 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ3531, par. 2.19 en Meijers 1933, p. 305. Vgl. HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8839, RvdW 2009/1429(Delta/X), r.o. 3.3.2 en concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent 2 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:561, par. 3.28-3.34. Vgl. ook BeckOK BGB/Lorenz2023 BGB § 274 Rn. 2(“Das Zurückbehaltungsrecht wird im Rechtsstreit nicht von Amts wegen beachtet, sondern muss vom Schuldner durch Einrede geltend gemacht werden.”). Zie mogelijk anders Rb. Noord-Nederland 6 mei 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2180, r.o. 4.38, waarin de rechtbank het algemene opschortingsrecht ambtshalve lijkt toe te passen, omdat uit de weergave van de vorderingen en verweren van partijen niet blijkt dat een beroep op opschorting was gedaan en de rechtbank bij haar oordeel ter zake evenmin vermeldde dat de schuldenaar zich voor wat betreft de gevorderde wettelijke handelsrente op een opschortingsrecht had beroepen.
Van Schaick 2009, p. 134. Aldus ook Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/280.
Zie voor een voorbeeld Rb. Limburg 1 september 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:7570, r.o. 2.8-2.11, waarin de rechtbank ambtshalve, mede op basis van een buiten rechte door de gedaagde aan eiser verzonden brief, vaststelt dat gedaagde een beroep op een opschortingsrecht heeft gedaan. Zie ook Rb. Midden-Nederland 28 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3973, r.o. 4.2 en Rb. Noord-Holland 19 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11122, r.o. 4.14, voor een procedure op tegenspraak waarin de rechtbank ambtshalve onderzoekt of buiten rechte in een e-mail een beroep op een opschortingsrecht is gedaan. Vgl. voorts MüKoBGB/Krüger2022 BGB § 274 Rn. 4 (“Selbst wenn der Gläubiger vorträgt, dass sich der Schuldner vorprozessual auf ein Zurückbehaltungsrecht berufen hat, ist die Einrede zu berücksichtigen; es könnte also zB keine uneingeschränkte Verurteilung durch Versäumnisurteil ergehen.”).
Evenzo Rb. Limburg 1 september 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:7570, r.o. 2.11. In hoger beroep is de vordering alsnog toegewezen, omdat de schuldenaar ‘onbevoegd en ondeugdelijk’ opschortte (Hof ’s-Hertogenbosch 24 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:181, r.o. 3.23-3.25). Zie over het rechtsgevolg van niet-opeisbaarheid § 2.7.2.
Zie § 1.7 en § 2.5.1.
Of art. 30a lid 3 onderdeel f Rv in geval van digitaal procederen.
Zie over art. 25 Rv o.a. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/99 en Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020a, p. 38. Zie i.v.m. het opschortingsverweer ook Ahsmann 2020, p. 73.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 30 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3002, r.o. 6.31 (“Een grondslag voor het nalaten van de betaling (opschorting, verrekening…?) wordt in hoger beroep niet aangevoerd. Alleen al daarom is het beroep onvoldoende onderbouwd.”). Zie ook bijv. Rb. Rotterdam 16 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:5208, r.o. 2.5; Rb. Overijssel 27 juni 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2481, r.o. 5.9; Rb. Zeeland-West-Brabant 21 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4438, r.o. 2.7; Rb. Noord-Holland 19 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3582, r.o. 4.6; Rb. Rotterdam 10 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1817, r.o. 4.2; Rb. Amsterdam 21 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8074, r.o. 4.24; Rb. Limburg 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7624, r.o. 4.5; Rb. Midden-Nederland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2288, r.o. 4.6; Rb. Gelderland 8 juni 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2894, r.o. 5.6 en 5.11 en Rb. Midden-Nederland 24 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6945, r.o. 2.24.
HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2519, NJ 1998/169 (Kloth/Stripac), r.o. 3.5. Zie ook HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9413, NJ 2004/51 (Ankara Export/Öz-Et Tarim), r.o. 3.3 en HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1453, NJ 1995/26 (Dinjens/Visser), r.o. 3.4. Zie bijv. Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 december 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:261, r.o. 4.17 en Rb. Noord-Holland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8952, r.o. 5.6 (“Ik betaal niet voordat het is opgelost.”). Zie ook § 5.2 en § 6.3.6.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 2 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV6086, r.o. 4.4. Zie ook bijv. Rb. Noord-Holland 19 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3582, r.o. 4.7.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 4 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8474, r.o. 3.6; Rb. Zeeland-West-Brabant 21 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4776, r.o. 4.4; Rb. Midden-Nederland 26 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2044, r.o. 3.11; Rb. Noord-Holland 29 maart 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4590, r.o. 4.6; Rb. Midden-Nederland 22 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1354, r.o. 3.6; Rb. Midden-Nederland 22 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1299, r.o. 4.2; Rb. Midden-Nederland 7 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5085, r.o. 3.1; Rb. Gelderland 16 november 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:6531, r.o. 4.23; Rb. Zeeland-West-Brabant 27 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5786, r.o. 2.3; Rb. Noord-Nederland 15 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:881, r.o. 4.8; Rb. Rotterdam 28 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1551, r.o. 5.2 en Rb. Noord-Holland (vzr.) 28 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11808, r.o. 5.16.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 3 augustus 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:7055, r.o. 4.3 en Rb. Rotterdam 15 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2976, r.o. 5.4. Zie ook bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1782, r.o. 6.8; Rb. Gelderland 14 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5250, r.o. 4.12 (‘kennelijk’); Rb. Noord-Holland 19 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11122, r.o. 4.14 (‘kunnen worden aangemerkt als een beroep op opschorting’) en Rb. Limburg (vzr.) 22 december 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:10477, r.o. 4.4. (‘beschouwt (…) als een beroep op opschorting’).
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 19 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3582, r.o. 4.7; Rb. Amsterdam 27 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2718, r.o. 5.5; Rb. Gelderland 15 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:711, r.o. 5.4; Rb. Midden-Nederland 1 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:334, r.o. 4.18; Rb. Noord-Nederland 20 juli 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2581, r.o. 4.6 en GEA van Curaçao 7 april 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:101, r.o. 4.5.
Rb. Amsterdam 30 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1657, r.o. 4.10.
Het staat ter vrije keuze van de schuldenaar of hij zich bij wijze van verweer op een opschortingsbevoegdheid beroept. De rechter mag het opschortingsrecht niet ambtshalve toepassen. Voor zover de schuldenaar buiten rechte een opschortingsverweer heeft gevoerd, meen ik dat dit wel door de rechter mag worden meegewogen als aan de schuldenaar verstek is verleend. Voorts kan de rechter door ambtshalve vaststelling de door de schuldenaar gestelde feiten en omstandigheden kwalificeren als een opschortingsverweer.
Artikel 6:52 lid 1 BW verklaart de schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegdde nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Met deze bevoegdheid heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat het opschortingsrecht tevens een verweermiddel is waarop de schuldenaar een beroep kan doen.1 Het staat ter vrije keuze van de schuldenaar of hij van zijn opschortingsverweer gebruikmaakt door zich daarop te beroepen.2 De schuldenaar kan ervoor kiezen geen gebruik te maken van zijn opschortingsverweer en daar belang bij hebben.3 De schuldenaar die bijvoorbeeld bevroedt dat het uitstellen van de nakoming van zijn verbintenis zal leiden tot bedrijfsstagnatie bij zijn wederpartij, waardoor die wederpartij haar verbintenis niet kan nakomen, zonder dat dit meebrengt dat het opschortingsverweer disproportioneel is, kan ervoor kiezen geen gebruik te maken van zijn opschortingsverweer als de nakoming door zijn wederpartij niet in het geding is als hij zijn verbintenis onverminderd nakomt en zijn belang bij nakoming door zijn wederpartij zwaarder weegt dan het eventuele toegenomen insolventierisico. Als de schuldenaar gebruikmaakt van zijn opschortingsverweer, zal hij duidelijk moeten stellen dat hij een opschortingsrecht inroept en kan hij niet volstaan met de opmerking dat hij een beroep op een opschortingsrecht had kunnen doen.4
De rechter mag het algemene opschortingsrecht niet ambtshalve toepassen.5 Een niet-nakoming door de schuldenaar mag de rechter niet ambtshalve kwalificeren als de uitoefening van een opschortingsrecht.6 Op deze regel dient naar ik denk een uitzondering te worden gemaakt voor het geval waarin aan de schuldenaar verstek is verleend, maar het de rechter uit de stellingen van de eiser wel bekend is dat de schuldenaar zich buiten rechte terecht heeft beroepen op een opschortingsrecht.7 De rechter kan de vordering op de schuldenaar dan afwijzen, omdat hem deze ongegrond voorkomt (art. 139 Rv), nu het ingeroepen opschortingsrecht de opeisbaarheid aan de vordering heeft ontnomen.8 Een andere opvatting doet geen recht aan het opschortingsrecht als een eigenhandig pressiemiddel tot nakoming, waardoor daar juist geen rechter aan te pas behoeft te komen.9 Met die functie van een opschortingsrecht verhoudt zich niet dat de schuldenaar verplicht zou zijn in rechte te verschijnen om zich met een beroep op een opschortingsrecht te kunnen verweren. Weliswaar bestaat het risico dat de wederpartij, in weerwil van haar substantiëringsplicht op grond van artikel 111 lid 3 Rv, een eventueel door haar schuldenaar buiten rechte gedaan beroep op een opschortingsrecht niet vermeldt.10 Voor zover de schuldenaar dan wordt veroordeeld, zal hij zo mogelijk een rechtsmiddel tegen de uitspraak moeten aanwenden en zijn opschortingsverweer alsnog onder de aandacht van de rechter moeten brengen.
Iets anders dan de ambtshalve toepassing van een opschortingsverweer is dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden vaststelt (art. 25 Rv). Op grond daarvan is de rechter gehouden om, voor zover de door de schuldenaar gestelde feiten en rechtsgevolgen dat kunnen rechtvaardigen, deze te kwalificeren als een opschortingsverweer en de toepasselijke wetsbepaling bij te brengen.11 Daarvoor dient de schuldenaar wel voldoende gemotiveerd te stellen dat en waarom hij meent nog niet tot nakoming gehouden te zijn.12 In dat verband is voldoende dat de schuldenaar duidelijk maakt dat hij verlangt dat zijn wederpartij alsnog behoorlijk nakomt en dat hij in dat geval ook zijnerzijds zal nakomen.13 Als de schuldenaar dat voldoende heeft onderbouwd, kan de rechter de gestelde feiten en omstandigheden of het gevoerde verweer ‘opvatten’14 of ‘begrijpen’ als een beroep op een opschortingsrecht15 of als zodanig ‘kwalificeren’.16 Als het verweer voor de rechter niet geheel duidelijk is, kan hij uitgaan van de veronderstelling dat de schuldenaar een opschortingsrecht heeft ‘bedoeld’ te stellen. Veelal betreft het dan een overweging ten overvloede, waarin wordt geoordeeld dat dit eventueel zo bedoelde opschortingsverweer niet het door de schuldenaar beoogde rechtsgevolg heeft.17 Een mededeling van een aannemer ‘de werkzaamheden neer te leggen’ kan een opschortingsverklaring inhouden.18