Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.5
7.5 Verweer tegen een opschortingsverweer
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950391:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§ 7.2.2.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/33.
Zie over het samenhangcriterium § 3.7.4.3. Zie bijv. het in § 4.4 behandelde arrest Hof Den Haag 23 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3304, r.o. 34, waarin het hof overwoog dat de koopovereenkomst en de overeenkomst van lastgeving ‘in zekere zin’ wel voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan, maar niet voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, omdat ‘de lastgevingsovereenkomst inzake de Sennebogen kraan voor partijen een a-typische, uitzonderlijke constructie was, die niet past in de tussen hen gebruikelijke wijze van zaken doen’.
Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/32-34.
Pitlo/Rugers & Krans 2014, nr. 35, p. 45.
§ 7.2.2.
Zie over het zelfstandig of bevrijdend verweer § 7.2.2.
HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8725, NJ 2009/599 (Toure/Heyne), r.o. 3.4.2. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023/34.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 995. Aldus ook Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/280; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22 en Asser/Hijma 7-I 2019/563. Vgl. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/289, over de vraag op wie de bewijslast rust van het in vervulling gaan van een opschortende voorwaarde.
Eventueel zal de wederpartij dit onder voorbehoud moeten doen, omdat uit deze stelling impliciet kan blijken dat aan het samenhangcriterium is voldaan (zie § 4.6.1).
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22.
Zie § 6.2 en § 6.3.
Vgl. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings), r.o. 3.5. Zie over dit arrest § 7.7.
HR 12 januari 2007,ECLI:NL:HR:2007:AZ1581, NJ 2007/371, m.nt. M.M. Mendel (Gemeente Eindhoven/Allianz), r.o. 4.3 (‘dat een partij die zich op art. 6:248 lid 2 BW beroept, zoals hier Allianz, in beginsel de bewijslast van haar stellingen draagt’). Zie in algemenere zin met verwijzing naar dit arrest Rb. Rotterdam 1 augustus 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7569, r.o. 4.6. Zie ook HR 16 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5509, NJ 1987/553, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Hooijen/Tilburgsche Hypotheekbank), r.o. 3.3. Aldus ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/415; Asser/Sieburgh 6-I 2020/58 en Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/6.42. Zie over de hoofdregel uit art. 150 Rv § 7.2.2.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22, die signaleert dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de omvang van de vordering rusten op de schuldenaar en dat deze omvang ‘van groot belang’ is voor de proportionaliteit (zie ook § 7.2.2). Vgl. voor het retentierecht Fesevur 1988, p. 101.
Zie Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/6.43.
Valk 2017 meent dat het samenhangcriterium ‘twee verschillend geaarde elementen bevat’ en betoogt dat de schuldenaar zowel ‘een voldoende inhoudelijke samenhang’ alsook de ‘proportionaliteit’ van de opschorting dient te stellen en zo nodig te bewijzen.
Valk 2017 houdt deze lezing van de in § 6.3.1 behandelde Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207-208, voor mogelijk, maar komt tot een andere visie. Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/280 onderschrijft de visie van Valk. Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2354, r.o. 6.6-6.9, dat lijkt te oordelen dat de stelplicht en de bewijslast van de proportionaliteit van de ingeroepen enac bij de schuldenaar liggen. Voor zover uit de overwegingen van de Hoge Raad dat i) de schuldenaar het bestaan en de omvang van zijn vordering voldoende dient te onderbouwen en ii) de rechter die over een opschortingsverweer dient te oordelen dient te onderzoeken of die vordering bestaat en de omvang daarvan voldoende is om het beroep op een opschortingsrecht te kunnen rechtvaardigen, zou volgen dat de schuldenaar de omvang van zijn vordering dient te stellen en zo nodig te bewijzen in verband met de proportionaliteit van zijn opschortingsverweer, zijn die overwegingen mijns inziens om dezelfde redenen niet juist (zie voor deze overwegingen HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6). Ik denk echter dat de overwegingen van de Hoge Raad enkel betrekking hebben op de vraag of voorshands vaststaat dat de schuldenaar een vordering van een zekere omvang op zijn wederpartij heeft in verband waarmee hij zich op een opschortingsrecht kan beroepen en niet op de vraag of dit opschortingsverweer dan ook proportioneel is, zodat daarin niet een overweging over de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de proportionaliteit van dat verweer moet worden gelezen. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22, die signaleert dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de omvang van de vordering rusten op de schuldenaar en dat deze omvang ‘van groot belang’ is voor de proportionaliteit.
Heyning-Plate 1969, p. 161.
Waarvoor bij algemene opschortingsrecht de omstandigheid dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding voldoende kan zijn en in het geval van de enac voldoende is dat sprake is van wederkerige verbintenissen.
Dit strookt met de bewijslastverdeling bij ontbinding, waarbij de tekortschietende partij dient te bewijzen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (HR 28 september 2019, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446, m.nt. Jac. Hijma (Eigen Haard), r.o. 3.7).
Zie over het opschortingsrecht als aanvullend of regelend recht § 2.6.
Wattendorf 2017.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3605, r.o. 3.6.7, waarin het, naar het lijkt, ambtshalve voorshands oordeelde dat het beroep op een overeengekomen opschortingsverbod niet in strijd is met redelijkheid en billijkheid, en Hof Den Haag 20 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3076, r.o. 15, waarin het hof in een b2b-verhouding ambtshalve oordeelde dat het beroep op een opschortingsverbod uit algemene voorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
De wederpartij kan zich op haar beurt verweren tegen het gevoerde opschortingsverweer. Het verweer tegen een opschortingsverweer kan een gemotiveerde betwisting of een zelfstandig verweer zijn. In het eerste geval betwist de wederpartij dat aan de vereisten van het ingeroepen opschortingsrecht is voldaan. Die betwisting kan evenwel kwalificeren als een zelfstandig verweer, bijvoorbeeld in het geval de wederpartij stelt dat zij haar verbintenis jegens de schuldenaar is nagekomen en het hem daarom dus ontbreekt aan een vordering. Bij een zelfstandig verweer tegen een opschortingsverweer bestrijdt de wederpartij niet dat de schuldenaar opschortingsbevoegd is, maar beroept zij zich op een bevrijdende omstandigheid. Dat kunnen de in artikel 6:54 en 6:55 BW geregelde omstandigheden zijn of omstandigheden die met zich brengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich op het opschortingsrecht beroept. Ook een beroep op een overeengekomen opschortingsverbod is een bevrijdend verweer.
De schuldenaar die zich op een opschortingsrecht beroept, heeft de stelplicht en draagt de bewijslast van de feitelijke grondslag van zijn opschortingsverweer, omdat hij stelt een met zijn verbintenis samenhangende vordering te hebben op zijn wederpartij als gevolg waarvan die verbintenis vooralsnog niet opeisbaar is.1 De wederpartij kan deze grondslag betwisten, door bijvoorbeeld te bestrijden dat haar schuldenaar een vordering op haar heeft.2 Ook kan zij de grondslag betwisten door te bestrijden dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. Wanneer de wederpartij bestrijdt dat aan het samenhangcriterium is voldaan, dient zij gemotiveerd te betwisten dat het in de door de schuldenaar gestelde omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat zij nakoming verlangt zonder gelijktijdig nakoming aan te bieden.3 De wederpartij kan voor een gemotiveerde betwisting ook zelf omstandigheden stellen. Een dergelijk verweer tegen de feitelijke grondslag van het opschortingsverweer wordt wel een ‘grondslagverweer’4 of ‘bestrijdend verweer’5 genoemd. Voor zover deze betwisting voldoende gemotiveerd is, kan dat ertoe leiden dat de rechter de schuldenaar zal opdragen te bewijzen dat hij opschortingsbevoegd is, door aan te tonen dat hij een opeisbare vordering op zijn wederpartij heeft die voldoende samenhangt met zijn verbintenis om opschorting te rechtvaardigen.6
Wanneer de wederpartij evenwel betwist dat de schuldenaar opschortingsbevoegd is, omdat zij stelt dat de vordering in verband waarmee de schuldenaar zich op een opschortingsrecht beroept door nakoming is tenietgegaan, draagt zij de bewijslast van die nakoming. Dit verweer tegen het opschortingsverweer is een zelfstandig of bevrijdend verweer.7 De wederpartij betwist niet dat de schuldenaar een vordering op haar heeft gehad in verband waarmee hij opschortingsbevoegd was, maar beroept zich op de bevrijdende omstandigheid van de nakoming van die vordering. Degene die zich op die omstandigheid beroept, draagt daarvan de bewijslast.8 Daarom zal de wederpartij van de schuldenaar die zich op een opschortingsrecht beroept zo nodig moeten bewijzen dat zij zelf haar verplichtingen is nagekomen.9 Hoewel het opschortingsverweer niet ambtshalve mag worden toegepast, kan het in verband met deze bewijslastverdeling wel verstandig zijn dat de wederpartij in voorkomend geval gemotiveerd stelt recht te hebben op de prestatie, omdat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan.10 Die stelling kan dan wel beperkt blijven tot verplichtingen waarvan de redelijkheid en billijkheid vereisen dat zij die gelijktijdig met de nakoming van haar schuldenaar nakomt.11
De wederpartij van de schuldenaar die zich op een opschortingsrecht beroept, draagt de bewijslast van de in artikel 6:54 en 6:55 BW geregelde uitsluitingsgronden van een opschortingsbevoegdheid.12 De schuldenaar dient daarentegen te stellen en zo nodig te bewijzen dat de voldoening van de verbintenis van de wederpartij door een aangeboden zekerheidsstelling onredelijk zou worden vertraagd (tenzij-bepaling in art. 6:55 BW).
De wederpartij van de schuldenaar die zich op een opschortingsrecht beroept, kan ook betwisten dat de schuldenaar een hem toekomend opschortingsrecht mag inroepen, omdat de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.13 Een dergelijk verweer tegen een opschortingsverweer is eveneens een zelfstandig of bevrijdend verweer. De wederpartij betwist niet dat de schuldenaar opschortingsbevoegd is, maar beroept zich op een bevrijdende omstandigheid of op bevrijdende omstandigheden die met zich brengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich op het opschortingsrecht beroept. In dezelfde zin is ook het verweer van de wederpartij dat de schuldenaar bevoegd zou zijn de nakoming van zijn verbintenis slechts gedeeltelijk op te schorten een bevrijdend verweer.14 De stelplicht en bewijslast van omstandigheden op basis waarvan de toepasselijkheid van een krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel tussen partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, rust op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Rv in beginsel op degene die zich daarop beroept.15 De wederpartij zal daarom moeten aantonen dat de gehele of gedeeltelijke uitoefening van het opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.16 De beantwoording van de vraag in hoeverre de rechter deze beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ambtshalve kan toepassen ligt genuanceerd.17
Anders dan Valk betoogt, denk ik dus niet dat op de schuldenaar de stelplicht en bewijslast rusten ten aanzien van de proportionaliteit van zijn opschortingsverweer, ook niet voor zover het alleen gevallen van gedeeltelijke of niet-behoorlijke nakoming zou betreffen.18 De stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis uitstelt vanwege een vordering die hij op zijn wederpartij heeft, is eveneens een zelfstandig of bevrijdend verweer, waarvan die wederpartij de stelplicht heeft en de bewijslast draagt.19 Daarom is, anders dan Heyning-Plate opmerkt in een vergelijking tussen artikel 6:262 lid 2 BW en het algemene opschortingsrecht, ook geen sprake van een ‘omkering van de bewijslast’, in die zin dat in het eerstgenoemde geval de wederpartij zou moeten aantonen dat een beroep op de enac in strijd met de redelijkheid en billijkheid is en in het andere geval de schuldenaar moet bewijzen dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt.20 In beide gevallen is het de schuldenaar die moet stellen en zo nodig bewijzen dat zijn wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder nakoming aan te bieden21 en is het de wederpartij die in voorkomend geval moet stellen en zo nodig bewijzen dat de uitoefening van de opschortingsbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, bijvoorbeeld vanwege disproportionaliteit.22
Tot slot voert ook de wederpartij die betwist dat de schuldenaar opschortingsbevoegd is omdat partijen een opschortingsverbod zijn overeengekomen een zelfstandig verweer.23 Zij zal het bestaan van die afspraak moeten stellen en zo nodig bewijzen.24 Tegen dit verweer kan de schuldenaar inbrengen dat het beroep op het opschortingsverbod in de door hem te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In een enkel geval lijkt de rechter ambtshalve te beoordelen in hoeverre het beroep op een opschortingsverbod in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.25