Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.9:7.9 Samenvatting en tussenconclusie
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.9
7.9 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950362:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De schuldenaar is opschortingsbevoegd als aan de aan een opschortingsrecht gestelde vereisten is voldaan. De opschortingsbevoegdheid is tevens een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een vordering die hij op zijn wederpartij heeft. Dit opschortingsverweer kan de schuldenaar steeds inroepen. De rechter mag een bij wijze van verweer ingeroepen opschortingsrecht niet onbehandeld laten of ongemotiveerd verwerpen. Evenmin mag hij een opschortingsrecht ambtshalve toepassen, omdat het ter vrijer keuze van de schuldenaar staat of hij zich bij wijze van verweer op een opschortingsbevoegdheid beroept. De schuldenaar die zich bij wijze van verweer beroept op een opschortingsrecht voert een zelfstandig of bevrijdend verweer. Op hem rusten de stelplicht en bewijslast dat aan de vereisten van het ingeroepen opschortingsrecht is voldaan. Voor een succesvol beroep op een opschortingsrecht is niet vereist dat de schuldenaar een eis in rechte instelt.
De wederpartij kan zich verweren tegen het gevoerde opschortingsverweer door gemotiveerd te betwisten dat aan de opschortingsvereisten is voldaan of door een zelfstandig verweer te voeren. Voor zover de wederpartij betwist dat aan de vereisten van het opschortingsverweer is voldaan omdat zij harerzijds is nagekomen, rusten op haar de stelplicht en bewijslast van die nakoming. Tevens rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de uitzonderingsgronden in artikel 6:54 en 6:55 BW op de wederpartij, behoudens voor zover het de tenzij-bepaling in artikel 6:55 BW betreft, omdat de schuldenaar van deze bepaling de stelplicht heeft en bewijslast draagt. Ook wanneer de wederpartij zich beroept op een overeengekomen opschortingsverbod of omstandigheden die met zich brengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar een opschortingsrecht inroept, rusten op haar de stelplicht en bewijslast van dat verbod of deze omstandigheden, omdat dit bevrijdende verweren zijn.
Ten tijde van de beoordeling van het opschortingsverweer zal aan de vereisten uit artikel 6:52 BW moeten zijn voldaan en op dat moment mag de schuldenaar niet onbevoegd zijn dat recht uit te oefenen. Voor zover de rechter een opschortingsverweer geheel of gedeeltelijk honoreert, wijst hij doorgaans het gevorderde geheel of, indien het een deelbare verbintenis betreft, gedeeltelijk af. Daarnaast kan de rechter in dat geval op vordering voor recht verklaren dat de schuldenaar een verbintenis heeft jegens zijn wederpartij en wat die verbintenis inhoudt. Ook een veroordeling van de schuldenaar tot vergoeding van genoten voordeel door de uitoefening van een opschortingsrecht is op vordering mogelijk.
Naast een gehele of gedeeltelijke afwijzing van het gevorderde in het geval waarin de rechter het opschortingsverweer honoreert, kan hij op vordering ook een veroordeling tot stapsgewijze nakoming uitspreken. In dat geval veroordeelt de rechter de schuldenaar tot nakoming onder de tijdsbepaling van het eindigen van de opschortingsbevoegdheid door gelijktijdige voldoening of zekerheidsstelling daarvoor door zijn wederpartij.
Voor zover de rechter een opschortingsverweer niet of gedeeltelijk honoreert, zal hij het gevorderde geheel of gedeeltelijk toewijzen, al naargelang hij het ingeroepen opschortingsrecht gegrond oordeelt. Voorts kan de schuldenaar in dat geval op vordering van zijn wederpartij worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het uitblijven van de prestatie en kan, in geval van verbintenissen uit hoofde van een overeenkomst, gehele of gedeeltelijke ontbinding worden uitgesproken. Daarnaast kan de rechter de schuldenaar op vordering van zijn wederpartij gebieden de uitoefening van een opschortingsrecht op te heffen of verbieden een opschortingsrecht uit te oefenen, beide op straffe van een dwangsom.
Een beslissing waarin de rechter een opschortingsverweer geheel of gedeeltelijk honoreert, kan zowel ten aanzien van het bestaan van de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij en de inhoud van die vordering als ten aanzien van de gerechtvaardigdheid van het opschortingsverweer gezag van gewijsde hebben, als die beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Een eventuele veroordeling in de proceskosten in een geval waarin de schuldenaar een opschortingsverweer voert, vindt overeenkomstig het in artikel 237 lid 1 Rv bepaalde plaats.