Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/14.2.1.1:14.2.1.1 Vanaf 1959: toepassing van uitkeringsregels op aandeelhoudersleningen in de rechtspraak
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/14.2.1.1
14.2.1.1 Vanaf 1959: toepassing van uitkeringsregels op aandeelhoudersleningen in de rechtspraak
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403524:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het leerstuk van de Kapitalersetzende Darlehen is aanvankelijk ontwikkeld in de rechtspraak. Vanaf het einde van de jaren ‘50 begonnen Duitse rechters de in §§ 30 en 31 GmbHG vervatte kapitaalbeschermingsregels toe te passen op aandeelhoudersleningen.1 Als aandeelhouders in tijden van crisis leningen verstrekten aan hun GmbH, was volgens deze rechtspraak feitelijk sprake van kapitaalverschaffing (verdeckte Stammeinlagen). Op dergelijke leningen kwam daarom dezelfde klem te rusten als op het nominale kapitaal van de vennootschap; rente- en aflossingsbetalingen op deze leningen waren – net als dividenduitkeringen – slechts geoorloofd voor zover zij uit vrije reserves gefinancierd konden worden. Eventuele betalingen op aandeelhoudersleningen die plaatsvonden op het moment dat de vennootschap ingevolge § 30 GmbHG niet over uitkeringsruimte beschikte, konden van de aandeelhouders op grond van § 31 GmbHG teruggevorderd worden.
De eerste aanzet tot deze ontwikkeling werd in 1959 door het BGH gegeven, toen zij oordeelde dat de kapitaalregels van toepassing waren op een door een aandeelhouder in crisistijd verstrekte lening aan een ondergekapitaliseerde vennootschap. Het BGH overwoog: “Der Gesellschafter einer unterkapitalisierten Gesellschaft mit beschränkter Haftung, der der Gesellschaft zur Abwendung der Konkursantragspflicht Gelder darlehensweise zur Verfügung gestellt hat, muß diese Gelder, solange dieser Zweck noch nicht nachhaltig erreicht ist, wie haftendes Kapital behandeln lassen und der Gesellschaft etwaige ‘Darlehensrückzahlungen’, die danach dem § 30 GmbHG zuwider geleistet sind, nach § 31 Abs. 1 GmbHG erstatten.”2
Aan deze vroege rechtspraak inzake kapitaalvervangende leningen (Kapitalersetzende Darlehen) lag de gedachte ten grondslag dat aandeelhouders door het verstrekken van leningen in crisistijd het faillissement van de onderneming afwendden en daarmee het risico in het leven riepen dat in een later faillissement minder voor de (concurrente) crediteuren zou resteren. Het zou aandeelhouders daarom niet zijn toegestaan om gedurende de crisis het door hen verstrekte vermogen weer te onttrekken of in een daaropvolgend faillissement als concurrente crediteuren in de opbrengst van de boedel te participeren.3