Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/2.2.2
2.2.2 De wetsgeschiedenis van het op 1 januari 2002 in werking getreden art 843a Rv
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS455171:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 6 december 2001, Stb. 580.
Zie p. 553-554 van de Part Gesch. burgerlijk procesrecht.
Behalve waar geciteerd wordt, gebruik ik het Nederlandse woord 'vissen' of `vistocht' in plaats van de bijna altijd gebruikte Engelse woorden 'fishing expeditions'. Zie ook Ledeboer die in 1888 in goed Nederlands op p. 20 al schreef dat als de bewijsvoerende partij het recht heeft om overlegging van stukken te eisen, de tegenpartij beschermd moet worden tegen ongegronde lichtvaardige vorderingen. De Staat der Nederlanden verdedigde zich in BR 12 december 1879, Weekblad van het Regt 4455 met de woorden dat eisers 'ook niet aantoonen, van welke bepaalde stukken zij inzage of afschrift of ... uittreksel verlangen,'. Ook in Noordziek is al een opmerking over dit vissen te vinden. Op p. 750-751 is in noot 1 de nadere door Daam Fockema opgestelde nota te vinden met de volgende inhoud: 'Bij de behandeling ... is aangevoerd, dat het 19e artikel 1' alinea eene te uitgebreide strekking had; de verpligting voor eene partij namelijk om over te leggen: die stukken welke onder hare berusting zijn, en de zaak in geschil betreffen; en om met eede te bevestigen, dat men aan die verpligting door de overlegging voldoet. Men was niet tegen de verpligting tot overlegging van stukken: men begreep ook, dat er andere middelen waren om bewijzen te bekomen, gehaald uit de boezem van partij zelve; maar men vermeende, dat partij althans eenige oppervlakkige aanduiding van de stukken moest doen, welke hij verlangde dat overgelegd zouden worden, en dat de regter dit naar bevind van zaken zoude kunnen wijzigen. Men stelle zich voor eenen man van naauwgezette pligtsbetrachting, die als erfgenaam uit sterfhuizen heeft ontvangen eene verzameling van oude papieren, welke, door een opschrift of anderszins, geacht konden worden van geene waarde te zijn. Deze wordt verpligt, zonder eenige aanduiding, over te leggen de onder hem berustende stukken welke de zaak in geschil betreffen. Zal hij nu, om met volkomen bewustheid dit na te komen, verpligt kunnen worden alles te onderzoeken en na te zien? Men had daarom te kennen gegeven, dat deze verpligting te onbepaald in de wet schijnt gelegd te zijn. Het zal mij aangenaam zijn, dat ik worde onderrigt, dat de regter, welke volgens de veranderde redactie het bevel van overlegging zal verleenen, bevoegd zal zijn dat onbestemde in dit artikel te matigen.'.
Parl. Gesch. burgerlijk procesrecht p. 154. Zie ook par. 3.2.
HR 30 januari 1998, NJ 1998, 459, m.nt. Vranken. Zie over dit arrest ook M. de Tombe-Grootenhuis, Voorstel voor een Europese disclosure, Liber Amicorum Paul Meijknecht, van Nederlands naar Europees procesrecht, onder redactie van E.H. Hondius, A.W. longbloed en R.Ch. Verschuur, Deventer, Kluwer 2000, p. 301-313.
Zie ook par. 3.2 en par. 7.2.
Onder meer Von Schmidt auf Altenstadt in Opening van zaken, TCR 2002, p. 8-14 lijkt op p. 13 juist gelukkig te zijn met dit subsidiariteitsbeginsel omdat dit beginsel een van de gereedschappen is om nodeloze overlast en vissen tegen te houden. Als ik echter de last van inzage afzet tegen het horen van een getuige, lijkt mij de inzage aanmerkelijk minder belastend te zijn. Ik laat het verschil in de kwaliteit van het bewijsmiddel nog in het midden.
P. 554 Pari. Gesch. burg. procesrecht.
HR 18 februari 2000, NI 2001, 259 (NI-ABN), m.nt Vlas. Hartkamp verwijst in zijn conclusie bij HR 13 september 2002, NI 2003, 400 ook naar dit arrest en merkt op dat omdat eiser bij de rechtsbetrekking waaruit de verdeling van de belangen voortvloeit niet zelf partij is, hij niet op grond van art. 843a Rv een afschrift kan vorderen van de betreffende onderhandse akte. Dat kan slechts indien de onderhandse akte ziet op een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is.
Bij deze weigering om duidelijkheid te verschaffen, past een kritisch vraagteken. Het in het midden laten van zo'n belangrijke maar simpel te beantwoorden vraag kan er immers toe leiden dat die vraag nogmaals wordt voorgelegd. Dit kost niet alleen veel geld en tijd doch leidt ook weer tot extra werk bij de IR. Zie ook Vranken in zijn noot onder HR 3 juni 2005, NI 2005, 324. Indien ik Vranken in Asser-Vranken, Vervolg, in onder meer nr. 10 goed begrijp heeft ook hij voor deze manier van doen niet veel bewondering. Hij spreekt over `de remmende werking van het denkraam van juristen' en zoekt in hoofdstuk 3 van dit boek naar achterliggende argumenten. Ter zake de inhoud van het begrip 'onderhandse akte' lijkt de HR op 22 januari 1999, NI 2000, 305 duidelijkheid te hebben gegeven. Zie par. 2.2.1.
Zie over dit arrest uitgebreid par. 9.4, J.M. Hebly, Exhibitieplicht bij rogatoire commissie, TCR 2001, p. 1-3 en Van der Wiel die op p. 50 zegt dat de HR hiermee in elk geval onder 843a Rv-oud de enge opvatting, inhoudende dat eiser partij moet zijn bij de rechtsbetrekking waarvan de gevorderde bescheiden de neerslag vormen, aanhangt. Haak en VerLoren van Themaat (redactie) schrijven op p. 13 in `De mogelijkheden voor civielrechtelijke handhaving van de mededingingsregels in Nederland.' Een inventarisatie in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Amsterdam, 3 november 2005, dat het verwarringwekkend is dat de Hoge Raad met dit arrest heeft geoordeeld dat ook tussen de aanvrager en de houder van de bescheiden een rechtsverhouding moet bestaan, waarmee de Hoge Raad lijkt af te wijken van de wettekst, die slechts een rechtsbetrekking vereist waarbij de aanvrager zelf partij is.
Sinds 1 januari 20021 luidt art. 843a Rv als volgt:
1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
2. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
3. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
4. Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
Het lijkt erop dat de wetgever bij de wijziging van dit artikel niet heeft voorzien hoe belangrijk het artikel zou worden. De Toelichting en het verdere debat beslaan namelijk in totaal nauwelijks anderhalve pagina.2 Er wordt weinig belangrijks vermeld. De wetgever onderschrijft de wenselijkheid van een verruiming van de stukken waarvan inzage verschaft moet kunnen worden. De woorden 'onderhandse akte' in art. 843a, lid 1 Rv-oud worden dan ook vervangen door 'bescheiden' terwijl de laatste zin van lid 1 van art. 843a Rv bepaalt dat onder bescheiden mede wordt verstaan 'op een gegevensdrager aangebrachte gegevens'. Aldus staat centraal de informatie die gegeven moet worden en is de aard van de gegevensdrager van geen enkel belang meer. Foto's, films, geluidsbanden, cd's, dvd' s, computerbestanden: er bestaat recht op inzage ongeacht de vraag op welke wijze de informatie is opgeslagen. Verder vermeldt de wetgever dat voordat een vordering tot overlegging van stukken op grond van art. 843a Rv kan worden toegewezen, vast moet staan dat er sprake is van een 'rechtmatig belang' en dat slechts inzage is gevraagd van `bepaalde bescheiden'. Deze twee beperkingen zouden samen voorkomen dat er naar stukken wordt gevist.3 Bij de Toelichting op het nieuwe art. 22 Rv is verder nog de opmerking te vinden dat de verplichtingen van de artt. 21 en 22 Rv van procesrechtelijke aard zijn waartegenover niet zonder meer een vorderingsrecht staat. Een dergelijk vorderingsrecht kan wel bestaan indien de partij een vorderingsrecht kan ontlenen aan art. 843a Rv.4
Het vierde lid geeft twee beperkingen die, aldus de Toelichting, duidelijk maken dat er grenzen zijn aan de verplichting tot het produceren van stukken. De eerste beperking houdt in dat gewichtige redenen in de weg kunnen staan aan het verstrekken van informatie. Aldus is aansluiting gezocht bij art. 22 Rv. In de tweede plaats is exhibitie niet nodig indien productie van bewijsmiddelen uit het oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling gemist kan worden (het subsidiariteitsbeginsel).
Volgens de Toelichting kunnen de beperkingen 'gewichtige redenen kunnen aan inzage in de weg staan' en 'er is geen goede grond voor exhibitie indien productie van bewijsmiddelen uit het oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist' in lid 4 van art. 843a Rv met elkaar verweven raken en vergen zij soms een onderlinge afweging. Soms zullen redenen die zijn aangevoerd tegen een verplichting tot inzage immers minder zwaar wegen dan de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling. In beginsel komt het erop aan of een partij een onredelijk voordeel geniet, of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat informatie in de procedure niet als bewijsmiddel beschikbaar komt. In het algemeen, aldus de Toelichting, zal aangenomen kunnen worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook gewaarborgd is indien bewijs van de feiten redelijkerwijs ook langs andere weg, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, kan worden verkregen. Als de getuigen in een ver land wonen, aldus nog steeds de Toelichting, kan dat echter anders zijn. Ik neem aan dat moeilijk te lokaliseren getuigen hier ook onder vallen.
De Toelichting wekt vervolgens de indruk dat de rechter, met toepassing van het nieuwe recht in een zaak als de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 30 januari 1998,5 wel inzage in een schriftelijke overeenkomst dient te bevelen. In die zaak tussen Rosier bv en Interforce bv diende Rosier te bewijzen dat tussen haar en Habo bv op 14 december 1989 een koopovereenkomst tot stand was gekomen. Rosier bedient zich ten bewijze hiervan enkel van getuigen en wordt geslaagd geacht in het bewijs. Interforce voert in cassatie aan dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat Rosier niet gehouden was om een afschrift van de koopovereenkomst tussen haar en Habo over te leggen. De Hoge Raad oordeelt hierover als volgt:
`Nu Rosier zich ten bewijze van de door haar gestelde koopovereenkomst niet heeft beroepen 'op eenig stuk' als bedoeld in art. 147, lid 1 Rv,6 was Rosier ... niet op grond van die bepaling gehouden (een afschrift van) de koopovereenkomst ten processe over te leggen. ... Nu het Hof kennelijk niet heeft getwijfeld aan de geloofwaardigheid van de door Rosier voorgebrachte getuigen, noopten ook de beginselen van een goede procesorde het Hof niet ertoe gevolg te geven aan het door Interforce bij pleidooi na enquête gedane verzoek om Rosier te bevelen (een afschrift van) de koopovereenkomst over te leggen. Ook art. 6 lid 1 EVRM noopte het Hof niet daartoe, nu partijen beide in de gelegenheid zijn geweest haar zaak toe te lichten aan de hand van de haar ter beschikking staande middelen bewijs en tegenbewijs te leveren ... Niet kan derhalve gezegd worden dat geen sprake is geweest van 'a fair (...) hearing' als bedoeld in die bepaling'.
De Toelichting zegt, onder verwijzing naar dit arrest, dat door de aanvulling in lid 4 de wederpartij thans, met een beroep op haar belang om (tegen)bewijs te kunnen leveren, kan vorderen dat de koopovereenkomst in het geding wordt gebracht. De rechter zal vervolgens op een daartoe strekkend verweer beslissen of gewichtige redenen zich tegen overlegging verzetten en of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder overlegging is gewaarborgd.
Ik vind dat de zaak er door die verwijzing niet bepaald duidelijker op is geworden. Aan de ene kant wordt immers gezegd dat een behoorlijke rechtsbedeling ook gewaarborgd is indien bewijs van de feiten redelijkerwijs ook langs andere weg, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, kan worden verkregen. Anderzijds wekt de Toelichting de indruk dat het oordeel van de Hoge Raad op 30 januari 1998 onder de nieuwe tekst anders zou kunnen (of zelfs moeten?) luiden. Dit is vreemd omdat de Toelichting voorop lijkt te stellen dat een vordering tot afgifte pas met succes kan worden ingesteld indien bewijs van feiten niet langs een andere weg kan worden verkregen. Aldus zou art. 843a Rv kennelijk een soort uiterste redmiddel behoren te zijn. In het geval Rosier was er zonder meer een andere weg. Interforce zou immers bijvoorbeeld personeel van Habo als getuigen kunnen laten horen over de vraag of er al dan niet een overeenkomst tussen Habo en Rosier was gesloten.7 Dat zou een langdurig en duur onderzoek met zich brengen, waar overlegging van de betreffende overeenkomst door een enkele simpele (rol)handeling kan. Een motivering waarom het recht op inzage niet als nevenschikkend bewijsmiddel naast andere bewijsmiddelen als bijvoorbeeld het recht om getuigen te horen mag worden gezien, maar als een subsidiair bewijsmiddel wordt niet gegeven. Het heeft er aldus de schijn van dat de minister het bewijskarakter van art. 843a Rv onvoldoende heeft onderkend en het slechts als een soort laatste redmiddel heeft gezien. Waarom dit een laatste redmiddel zou moeten zijn, wordt niet duidelijk gemaakt, terwijl dit toch vereist is alleen al omdat ons bewijsrecht geen hiërarchie in bewijsmiddelen kent. Niet elk bewijsmiddel heeft evenveel waarde (zo heeft de in art. 157 lid 1 Rv omschreven authentieke akte dwingende bewijskracht) maar er bestaat geen regel dat deze akte eerst in het geding gebracht moet worden voordat bijvoorbeeld bewijs door getuigen kan worden geleverd. Verder lijkt een toelichting broodnodig te zijn omdat deze zinsnede aanleiding kan geven om te menen dat bij de beantwoording van de vraag of er recht op inzage is een bewijsprognose moet worden gemaakt. Uit deze zinsnede volgt immers dat de rechter anticipeert op het eindoordeel aan de hand van mogelijk aanwezige andere bewijsmiddelen en vervolgens tot de conclusie komt dat nog meer bewijsmiddelen, en wel de bewijsmiddelen die via de weg van art. 843a Rv ingebracht kunnen worden, niet meer ingebracht hoeven te worden, of juist wel. Een zeer beperkte uitleg van deze zinsnede lijkt dan ook voor de hand te liggen.8
Naar aanleiding van een opmerking in het Verslag van de Tweede Kamer vermeldt de minister bij Nota9 nog dat het naar zijn oordeel in de lijn ligt van de met het wetsvoorstel beoogde verruiming van art. 843a Rv om in elk geval voor het komende recht ook een verbintenis uit onrechtmatige daad aan te merken als een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a Rv. De betreffende opmerking in het Verslag vindt haar grondslag in de volgende casus.10 In Engeland procedeert News International (hierna NI) tegen Clinger. NI stelt dat Clinger, kort gezegd, via slinkse wegen gelden van NI heeft overgeboekt of laten overboeken naar Clinger. Er zijn aanwijzingen dat overboekingen zijn verricht naar rekeningen gehouden bij de ABN-AMRO bank (hierna de bank). De Engelse rechter vaardigt een rogatoire commissie uit, waarin onder meer wordt verzocht om documenten betrekking hebbend op bankrekeningen van Catalyst Micro Inc. en Mykanos Ltd. bij de bank. NI stelt dat er met betrekking tot de betalingen aan Catalyst Micro Inc. en Mykanos Ltd. een rechtsbetrekking bestaat, en wel de onrechtmatige daad door Clinger gepleegd ten opzichte van NI. De rechtbank overweegt dat deze ruime uitleg van het woord rechtsbetrekking in art. 843a Rv-oud geen steun vindt in het recht zodat NI niet kan worden aangemerkt als partij in de rechtsbetrekking tussen de bank en haar rekeninghouders Catalyst Micro Inc. en Mykanos Ltd. De Hoge Raad laat in het midden of art. 843a Rv-oud betrekking kan hebben op niet ondertekende geschriften én laat in het midden of rechtsbetrekkingen uit onrechtmatige daad onder het begrip rechtsbetrekking van art. 843a Rv-oud vallen.11 De Hoge Raad volstaat met het oordeel dat de omstandigheid dat Clinger geldbedragen van NI naar zich heeft laten toevloeien en dat er aanwijzingen zijn dat een aantal van die betalingen is verricht op rekeningen van Catalyst Micro Inc. en Mykanos Ltd., op zichzelf niet meebrengen dat er sprake is van een rechtsbetrekking tussen NI en de bank. De vordering tot inzage is, zo concludeert de Hoge Raad, terecht afgewezen.12