Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.5.2
7.5.2 Verlettering en omzetting gewone aandelen in preferente aandelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450607:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 238-239, Kluwer, Deventer, 1994; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 104-105, Fed, Deventer, 1995 en J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Fiscale monografie nr. 70, blz. 403, Kluwer, Deventer, 1994.
Vgl. tevens Hof's-Hertogenbosch 30 oktober 1969, BNB 1970/200 en Hof Amsterdam 23 oktober 1969, BNB 1971/195.
In dezelfde zin P. Fortuin in zijn aantekening onder HR 11 juni 1997, FED blz. 1945-1947, 1997/556, R.H. de Vries, Over technische wijzigingen, aflossingen om niet en andere vragen van aanmerkelijk belang, WFR 1998/6275, blz. 68-69 en H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.A,c, Gouda Quint, Deventer. Zie tevens mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang. Fiscaal Actueel, blz. 31-36, Kluwer, Deventer, 1998 en mijn: Het vervreemdingsbegrip in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht april 1998, nr. 36, blz. 84-88. alwaar ik aangeef dat in mijn opvatting geen aanmerkelijkbelangclaim verloren gaat, zodat het ook vanuit een sluitende aanmerkelijkbelangheffing niet noodzakelijk is om de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling te beschouwen.
Voor de volledigheid wijs ik nog op het eigenaardige HR 11 juni 1997, BNB 1997/274. Zie tevens de aantekening van P. Fortuin op dit arrest in FED 1997/556.
E.J.J. van der Heijden/W.CL. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, blz. 306, Tjeenk Willink, Zwolle, 1992 en J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de naamloze en de besloten vennootschap (deel 2.II Asser-serie), blz. 221, Tjeenk Willink, Zwolle, 1994. Zie tevens M. van Olffen die opmerkt dat een conversie van aandelen in aandelen van een andere soort niet leidt tot kapitaalvermeerdering of -vermindering, indien en zolang het totale geplaatste kapitaal van de vennootschap gelijk blijft. Aan de vervulling van de formaliteiten ex art. 2:86/196 resp. 2:99/208 en 2:100/209 BW komt men dan niet toe. Eerst indien het totale nominale bedrag door de conversie zal stijgen of dalen zullen zodanige formaliteiten in acht moeten worden genomen, M. van Olffen, Conversie van aandelen, WPNR 1997/6253, blz. 49 e.v.
In beide genoemde brieven doet zich op dit punt overigens een wat vreemde ongelijkheid voor. In de brief van 21 april 1998, nr. 214 DGM 8, die gaat over de verlettering van aandelen, wordt op deze plaats louter gesproken over winstreserves. Dit zijn enkel de op het moment van ver- lettering in de boeken van de vennootschap aanwezige zichtbare (winstjreserves. In de brief van 4 mei 1998, nr. 924 DGM 8, die gaat over de omzetting van gewone aandelen in cumulatief preferente aandelen, wordt daarentegen gesproken over het ruimere zichtbare en onzichtbare reserves. Onder deze laatste categorie van de onzichtbare reserves vallen met name de stille reserves en de goodwill. Het maakt nogal wat uit of men louter de zichtbare (winst)reserves verbindt met de oorspronkelijke aandelen of dat dit ook geldt voor de op het moment van verlettering resp. omzetting van de aandelen aanwezige onzichtbare reserves.
Anders T. Blokland, Inzake omvorming van aandelen, vruchtgebruik en blote eigendom, financieringsrente en emigratie bij aanmerkelijk belang, MBB november 1998, blz. 372.
Mijns inziens is de opmerking in de Vakstudie in aantekening 39 op art. 20c Wet IB '(...) dat het thans vigerende aanmerkelijkbelangregime uitgaat van het afzonderlijke aandeel', pertinent onjuist.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad werd onder de tot 1 januari 1997 geldende oude aanmerkelijkbelangregeling algemeen afgeleid dat de omwisseling van aandelen in een vennootschap in economisch gelijkwaardige aandelen in dezelfde vennootschap geen vervreemding inhield voor de aanmerkelijkbelangregeling; de aandeelhouder doet immers geen rechten overgaan vanuit zijn vermogen in dat van een ander.1 Anders gezegd, de nieuwe aandelen zijn te vereenzelvigen met de oorspronkelijke aandelen. Zo oordeelde Hof Arnhem 30 oktober 1989, BNB 1991/99 in een situatie waarin gewone aandelen werden omgezet in letteraandelen dat geen sprake was van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, nu het aandeel van de aanmerkelijkbelanghouder in de vennootschappelijke reserves voor en na de statutenwijziging hetzelfde was gebleven. In zoverre viel de aanmerkelijkbelanghouder geen aanmerkelijkbelangwinst toe te rekenen.2 Aangezien geen sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling geldt de verkrijgingsprijs voor de omgewisselde aandelen als verkrijgingsprijs voor de nieuw verkregen aandelen. Overigens kan uit recente publicaties worden afgeleid dat de Belastingdienst onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een andere visie is toegedaan (zie hierna).
Betrekkelijk recent is onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling de vraag gerezen welke de gevolgen voor de aanmerkelijkbelangheffing zijn als bij statutenwijziging (een gedeelte van) de aandelen van een enig aandeelhouder word(t)(en) omgevormd tot preferente aandelen, waarbij de nominale waarde van de aandelen ongewijzigd blijft. In zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.5) heeft de staatssecretaris van Financiën als zijn mening te kennen gegeven dat de omvorming van een gedeelte van de aandelen in preferente aandelen tot gevolg heeft dat er twee soorten aandelen ontstaan. Naar zijn mening is deze situatie gelijk te stellen met een inkoop a pari van de betreffende gewone aandelen, gevolgd door uitgifte van nieuwe preferente aandelen tot het zelfde nominale bedrag. Vervolgens is art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB van toepassing, waardoor de omgevormde gewone aandelen geacht worden tegen de waarde in het economische verkeer te zijn vervreemd (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5). Dit is volgens de laatste volzin van art. 20c, vierde lid, Wet IB ook het geval als het belang in de vennootschap wordt behouden. Ten slotte merkt de staatssecretaris van Financiën op dat de verkrijgingsprijs van de aandelen, waarvan de winstrechten zijn verhoogd, met het te belasten vervreemdingsvoordeel wordt opgehoogd.
Mijns inziens kan blijkens de hierboven in onderdeel 7.2.1 weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen door de enig aandeelhouder dan wel door alle aandeelhouders overeenkomstig ieders aandelenbezit niet als een vervreemding in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB worden beschouwd. De aandeelhouder doet immers geen rechten uit zijn vermogen overgaan in dat van een ander, zodat de nieuwe aandelen in het vermogen van de aandeelhouder dezelfde plaats innemen als de afgestane aandelen.3 Uiteraard ligt dit anders en is wel sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen niet geschiedt door alle aandeelhouders conform ieders aandelenbezit, maar door bijvoorbeeld één of enkele aandeelhouders.4
Ook de staatssecretaris van Financiën lijkt deze mening te zijn toegedaan, nu hij niet tot een vervreemding in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB concludeert, doch zich baseert op de expliciete vervreemding van art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB, t.w. het inkopen van aandelen. De gedachte is correct dat alleen op grond van één van de in art. 20a, zesde lid, Wet IB uitdrukkelijk genoemde vervreemdingen bij een enig aandeelhouder in een dergelijke situatie tot aanmerkelijkbelangheffing kan worden gekomen. De vraag is echter in hoeverre het juist is om de omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als een inkoop van de gewone aandelen te bestempelen waartegenover nieuwe aandelen worden uitgereikt. Hierbij is met name relevant dat civielrechtelijk nu juist geen sprake is van een intrekking van de oude aandelen enerzijds en uitgifte van de nieuwe aandelen anderzijds; er komt slechts wijziging in de rechten die aan het aandeel zijn verbonden. In de civielrechtelijke literatuur wordt voor deze figuur, juist ter onderscheiding met de figuur van intrekking en uitgifte van aandelen, het woord conversie gebruikt.5 De visie van de staatssecretaris dat sprake is van een inkoop van de gewone aandelen (ter amortisatie) gevolgd door uitgifte van de nieuwe preferente aandelen wordt dus niet gestaafd door het burgerlijke recht.
Dit standpunt van de staatssecretaris van Financiën wordt door de Belastingdienst Directie Ondernemingen Zuid blijkens de brieven van 21 april 1998, nr. 214 DGM 8, en 4 mei 1998, nr. 924 DGM 8, V-N 1998/26.8, blz. 2272 e.v. niet gevolgd. In genoemde brieven wordt het standpunt ingenomen dat verlettering van aandelen resp. omzetting van gewone aandelen in (cumulatief) preferente aandelen een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling is in de zin van de hoofdregel van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB. Volgens genoemde brieven is sprake van een vervreemding in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling, 'indien de economische betekenis van de aandelen vóór de statutenwijziging (...) niet overeenkomt met de economische betekenis van de aandelen na de statutenwijziging (...). Er dient dan sprake te zijn van een zodanige verandering van financiële rechten dat de nieuwe aandelen niet met de oude aandelen kunnen worden vereenzelvigd. Vervolgens wordt in genoemde brief opgemerkt: 'Of sprake is van een vereenzelviging van de oude aandelen met de nieuwe aandelen moet niet worden beoordeeld vanuit de aandeelhouder, maar vanuit de aandelen.' Het denkmodel van de inkoop van de gewone aandelen door de vennootschap gevolgd door uitgifte van de nieuwe preferente aandelen is aldus kennelijk door de Belastingdienst verlaten.
Bood het standpunt van de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4104 (vraag C.5) niet de ruimte om in geval van verlettering resp. omzetting van aandelen geen vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling aan te nemen, bovenvermelde brieven van de Belastingdienst bieden deze ruimte nadrukkelijk wel. Als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan, is naar het oordeel van de Belastingdienst in geval van verlettering resp. omzetting van aandelen geen sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling:
De gewone aandelen worden verletterd in aandelen A en er worden nieuwe aandelen B geëmitteerd resp. de gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen;
De vóór de statutenwijziging aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare winstreserves en agioreserves worden volledig toegerekend aan de aandelen A resp. aan de in preferente aandelen gewijzigde aandelen. Hetzelfde geschiedt met de stille reserves en goodwill. Hiertoe worden (voor zover mogelijk) in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd;
De aandelen A resp. de preferente aandelen geven recht op een - eventueel in overleg met de inspecteur te bepalen - zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen aan de vennootschap (primair dividend). Het primaire dividend wordt, in het verlengde van het vorige punt, berekend over de aan de aandelen A ten tijde van de verlettering verbonden zichtbare en onzichtbare reserves (inclusief goodwill) voor zover zij nog niet op de aandelen zijn uitgekeerd en in geval van omzetting in preferente aandelen tevens over het aan de preferente aandelen verbonden nominale kapitaal. Indien de winst in enig jaar niet voldoende is voor het uitkeren van het primaire dividend, bestaat er in de volgende jaren in zoverre recht op een aanvullend primair dividend;
De na de toekenning van het primaire dividend op de aandelen A resterende winst wordt in verhouding tot het nominale kapitaal aan de aandelen A en de aandelen B toegerekend. In geval van omzetting in preferente aandelen mag de na de toekenning van het primaire dividend resterende winst worden toegerekend aan de gewone aandelen;
Indien in enig jaar na de statutenwijziging in plaats van een (primaire) dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de aandelen A resp. de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daarop volgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage (primair) dividend over deze bijschrijving;
Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de ten tijde van de omzetting aan de aandelen A resp. de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt indien in een later jaar winst wordt gemaakt een bedrag bijgeschreven op deze winstreserverekening dat overeenkomt met het bedrag dat ter dekking van de verliezen was afgeschreven;
Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de aandelen A resp. de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houders van de aandelen A resp. de preferente aandelen. Het gevolg is dat de direct vóór de statutenwijziging aan de oude aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare (winst)reserves uiteindelijk op de nieuwe aandelen zijn uitgekeerd, tenzij deze (winst)reserves door verliezen definitief teniet zijn gegaan.6
Is aan bovenvermelde voorwaarden voldaan, dan is in geval van verlettering resp. omzetting van aandelen geen sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, omdat dan, zo wordt in genoemde brieven geschreven, de nieuwe aandelen met de oude aandelen zijn te vereenzelvigen. Hoewel deze visie van de Belastingdienst de praktijk meer ruimte biedt om in geval van verlettering resp. omzetting van aandelen niet tot een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling te geraken dan de opvatting van de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 29 september 1997, is deze opvatting mijns inziens nog steeds onnodig beperkend en in strijd met de definitie die de Hoge Raad aan het begrip 'vervreemding' voor de aanmerkelijkbelangregeling heeft gegeven.7 De Hoge Raad vult het vervreemdingsbegrip voor de aanmerkelijkbelangregeling immers in vanuit het subject van de aanmerkelijk-belang-houder en niet, zoals de Belastingdienst in genoemde brieven doet, vanuit het object van het aandeel.8