Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.14
4.14 Uitgangspunt 12: Snelheid
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192771:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. UNCITRAL Legislative Guide on Insolvency Law 2005, p. 12: “Insolvency should be addressed and resolved in an orderly, quick and efficient manner, with a view to avoiding undue disruption to the business activities of the debtor and to minimizing the cost of the proceedings. Achieving timely and efficient administration will support the objective of maximizing asset value (…).”; World Bank Principles for Effective Insolvency and Creditor/Debtor Regimes 2015, onder principe C1 en C14.1.
Vgl. nr. 111 en 115.
Zie §4.12.5 en 4.14.
Böcker e.a. 2010, p. 305.
Het pre-insolventieakkoord traject moet binnen een beperkt tijdsbestek kunnen worden doorlopen.
181. Dat snelheid van cruciaal belang is voor effectieve insolventieprocedures, wordt breed onderschreven.1 De Nederlandse Faillissementswet bevat dan ook tal van bepalingen die de diverse actoren aan korte termijnen binden.
Een akkoordprocedure neemt naar zijn aard de nodige tijd in beslag. Een akkoordtraject bestaat immers ten minste uit een stemming en een rechterlijke homologatiefase. Uit het gegeven dat de schuldenaar zich in staat van pre-insolventie bevindt, vloeit voort dat de akkoordprocedure relatief snel doorlopen moet kunnen worden om het tij tijdig te kunnen keren.
Om dat te kunnen verwezenlijken dienen in de eerste plaats de termijnen voor de oproeping voor de stemming en de oproeping voor de homologatiezitting niet te lang te zijn. Gelet op het mensenrechtelijk kader dienen de termijnen wel zodanig te zijn dat de vermogensverschaffers een redelijke kans hebben om hun belangen te verdedigen. De pre-insolventieakkoordprocedure moet immers voldoen aan het equality of arms-principe. De oproepingstermijnen mogen dus niet dusdanig kort zijn dat spanning ontstaat met het recht op een eerlijk proces of de procedurele waarborgen die op grond van art. 1 EP EVRM zijn vereist.2
Ten tweede is van belang dat de rechter desgevraagd snel een beslissing kan geven. Wanneer de homologatiebeslissing te lang op zich laat wachten kan dat, afhankelijk van de urgentie van de liquiditeitsproblemen, funest zijn voor een reddingspoging. Wanneer de rechter ook op andere momenten gedurende het akkoordtraject om een beslissing kan worden verzocht, is het van belang dat deze beslissingen met de nodige voortvarendheid worden genomen. Het gaat immers om een geschilprocedure die beoogt vertraging te voorkomen en de transactiezekerheid te vergroten.3 Tegenover het belang van snelheid staat het belang dat de rechter deugdelijke beslissingen neemt, op basis van voldoende informatie of onderzoek. Gelet op de ingrijpende inmenging in de eigendomsrechten van vermogensverschaffers die op het spel staat bij een akkoord, zal de gewenste snelheid niet ten koste mogen gaan van de kwaliteit van het rechterlijk oordeel. De rechter is als overheidsorgaan gebonden aan de verzekeringsplichten die uit het EVRM voortvloeien.
De rechters die beslissingen moeten nemen in het kader van de pre-insolventieakkoordprocedure dienen op grond van het achtste uitgangspunt voldoende deskundig te zijn. Het feit dat rechters regelmatig over hetzelfde type zaak of over dezelfde materie oordelen, heeft mogelijk een positieve invloed op de snelheid waarmee zij kunnen beslissen.4