Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IV.5.1
IV.5.1 Wederpartij in art. 2:16 lid 2 BW
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Canisius & Canisius 2015, p. 89.
Handboek 2013/244, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 49, p. 874, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/195, Canisius & Canisius 2015, p. 89, Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/1 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/171. Enigszins anders: Huizink 1989, p. 9.
Handboek 2013/282, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 49.2, p. 882, Canisius & Canisius 2015, p. 89, Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/1 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/341.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/50, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 31, p. 542, Canisius & Canisius 2015, p. 89 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/1.
Art. 2:16 lid 2 BW spreekt over de ‘wederpartij’ van de rechtspersoon. De bepaling beschermt aldus eenieder die partij is bij een rechtshandeling waaraan een extern werkend besluit ten grondslag ligt. Dat is opmerkelijk. Een besluit met externe werking komt veelal voor in een rechtsbetrekking tussen de rechtspersoon en een institutioneel bij de rechtspersoon betrokken partij, oftewel een persoon met een zekere rechtspersonenrechtelijke hoedanigheid. Vooral een besluit met direct externe werking richt zich doorgaans tot personen die in een bijzondere verhouding staan tot de rechtspersoon. Zo werkt een ontslagbesluit jegens een bestuurder of commissaris, treft een uitkeringsbesluit de aandeelhouders en raakt een bezoldigingsbesluit de bestuurders. Door de bank genomen gaat het niet om een willekeurige wederpartij, maar om een partij die zich bevindt binnen de kring van betrokkenen die de rechtspersoon omgeeft.
Kennelijk neemt art. 2:16 lid 2 BW tot uitgangspunt dat een institutioneel betrokkene twee banden heeft met de rechtspersoon. Een bestuurder bijvoorbeeld heeft niet alleen een rechtspersonenrechtelijke band, maar tevens een contractuele band. Als lid van een orgaan vervult hij een functie waaruit rechtspersonenrechtelijke rechten en plichten voortvloeien. Buiten de rechtspersoon geldt de bestuurder als privépersoon met contractueel bepaalde rechten en plichten. Een bestuurder, commissaris en aandeelhouder kan kortom in twee hoedanigheden handelen. Hij kan handelen in hoedanigheid of in privé. Hij kan optreden binnen de interne orde van de rechtspersoon of daarbuiten.1 Art. 2:16 lid 2 BW nu ziet op het laatste. Het artikel betreft de verhouding tussen de rechtspersoon en de wederpartij in privé-hoedanigheid.
Op zichzelf is de hier uiteengezette gedachte juist. Zij vindt haar weerslag in het geldende ondernemingsrecht. Literatuur en jurisprudentie beschrijven de band tussen de rechtspersoon enerzijds en een bestuurder,2 commissaris3 of aandeelhouder4 anderzijds als een tweezijdige. Art. 2:16 lid 2 BW vertolkt zo de heersende opvatting van de dubbele band. Of een institutioneel betrokkene zich beschermd ziet, hangt af van zijn concrete en normatieve kennis van het gebrek in het extern werkend besluit. Steeds moet beoordeeld worden of de betrokkene – als wederpartij van de rechtspersoon – het gebrek kende dan wel behoefde te kennen. In deze benadering is de betrokkene een derde, een wederpartij die buiten de interne orde van de rechtspersoon staat.