Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/316
316 Het tweede kenmerk: bekende feiten
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS459537:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878, NJ 1994, 345, m.nt. H.J. Snijders (Van de Ven/ Pierik).
Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5976. Van een fishing expedition (“een (verboden) situatie waarbij een verhoor wordt gevraagd zonder dat de feiten daartoe aanleiding geven”) was volgens het hof geen sprake. Een voorheen bestaande rechtsverhouding, waarin handelingen van de ene partij mogelijk tot verlies van € 33.000.000,- bij de andere partij hadden geleid, was voldoende aanleiding om die handelingen te onderzoeken. De voorheen bestaande rechtsverhouding tussen partijen was hier een sterke aanwijzing voor het niet aannemen van een fishing expedition, ook al bestond enige onduidelijkheid over de te bewijzen feiten.
Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1886. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 28 september 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:BA0222, IER 2007, 7: de verzoeker wilde met het voorlopig getuigenverhoor nog niet bekende feiten onderzoeken om haar – op speculaties berustende – stellingen in de hoofdzaak te onderbouwen; Hof ’s-Hertogenbosch 25 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6314: tussen de feiten en de vordering ontbrak een link en het hof overwoog: “Het verlangde getuigenverhoor dient er onmiskenbaar toe om te vissen naar mogelijk onrechtmatige aspecten in de opsporing en vervolging.”; Rb. ’s-Hertogenbosch 16 februari 1972, ECLI:NL:RBSHE:1972:AB4989, NJ 1972, 441: het voorlopig getuigenverhoor kan niet dienen “als gold het een politioneel onderzoek, bepaalde feiten op het spoor te komen waaromtrent ook de aanvrager nog in het onzekere tast”.
Hof ’s-Gravenhage 15 november 1984, ECLI:NL:GHSGR:1984:AC4392, NJ 1986, 300.
In het arrest Van de Ven/Pierik1 besliste de Hoge Raad dat de omschrijving van de feiten in het verzoekschrift tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor moet gebeuren op zodanige wijze dat voor de wederpartij en de rechter voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking moet hebben. Een heel nauwkeurige omschrijving van de feiten is niet vereist (zie nr. 174). Aan de ene kant dient een voorlopig getuigenverhoor er dus toe (nog niet precies bekende) feiten vast te stellen.2 Aan de andere kant is het voorlopig getuigenverhoor geen opsporingsmiddel dat ingezet kan worden om geheel onbekende feiten aan het licht te brengen. Zo overwoog het hof ’s-Hertogenbosch dat het niet de bedoeling is een bewijsfase te doorlopen die volgens de verzoeker volledig is bedoeld om niet reeds bekende feiten te achterhalen. Dat is een fishing expedition die in strijd is met het doel van het voorlopig getuigenverhoor.3
Ongelukkig in dit kader is een uitspraak van het hof ’s-Gravenhage.4 De verzoeker wilde aantonen dat de gemeente Den Haag voorwetenschap had verschaft aan de aanvragers van een aanlegvergunning voor een parkeergarage onder de Hofvijver. Met de overweging dat “onvoldoende feiten vaststaan om te zeggen dat het verhoor niets aan het licht zal kunnen brengen dat aanleiding kan zijn om een procedure te entameren” en de toewijzing van het verzoek lijkt het hof een fishing expedition mogelijk te maken.