Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/68.5
68.5 Rechtspraak over digitaal procederen
prof. mr. B.J. van Ettekoven, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. B.J. van Ettekoven
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288).
Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht (Stb. 2016, 292 en tevens – nog niet in werking getreden – Stb. 2018, 289-291 en 293-294).
Zie het Procesreglement bestuursrecht 2017 van de bestuursrechtelijke colleges en het Reglement inzake toegang tot en het gebruik van het digitale systeem voor de gegevensverwerking van de gerechten (civiel recht en bestuursrecht), vastgesteld door de besturen van de rechtbanken, gerechtshoven en de Centrale Raad van Beroep (Stcrt. 2017, nr. 15688). Zie ook de Werkinstructie digitaal procederen voor vreemdelingenadvocaten van 11 juli 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl.
Dit omdat de artikelen over digitaal procederen in beide procesrechten gelijkluidend zijn; vgl. art. 8:36a - 8:36g Awb met o.a. 1:30c-30f Rv.
ABRvS 31 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:888; AB 2017/191 m.nt. Jacobs en JG 2017/27, m.nt. Van der Heijden.
ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:999, JB 2018/79 m.nt. Albers.
ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1000, JB 2018/78 m.nt. Albers. Zie voor het doen van nader onderzoek en het raadplegen van Spir-it ook ABRvS 29 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:276, JB 2018/52 m.nt. Albers en Rb Den Haag 9 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13519.
Zie ABRvS 6 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2614.
ABRvS 30 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1088.
ABRvS 5 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1896.
Zie o.a. ABRvS 31 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:888, AB 2017/191 m.nt. Jacobs en JG 2017/27, m.nt. Van der Heijden, ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1000, JB 2018/78 m.nt. Albers, ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:999, JB 2018/79 m.nt. Albers, ABRvS 30 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1088, ABRvS 5 juni 2018, ECLI:NL: RVS:2018:1896.
ABRvS 20 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1319. Zie voor de uitspraak van de Rb. Den Haag 3 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12722.
Rb. Den Haag 5 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:11440 en ABRvS 31 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:888, AB 2017/191 m.nt. Jacobs en JG 2017/27, m.nt. Van der Heijden.
ABRvS 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:270, JB 2018/34, m.nt. Albers.
Het hiervoor genoemde artikel 8:40a Awb is ingetrokken per 12 juni 2017 toen de nieuwe regeling voor digitaal procederen bij de bestuursrechter in werking trad.1 Aan de Awb is Afdeling 8.1.6a toegevoegd, bestaande uit de artikelen 8:36a - 8:36g Awb. Op grond van artikel 8:36f Awb is een AMvB tot stand gekomen.2 De gerechten hebben daarnaast ook spelregels voor het digitaal procederen opgesteld.3
Als we kijken naar de nog schaarse rechtspraak van de hoogste bestuursrechter over digitaal procederen dan zijn enkele lijnen zichtbaar. Voorzichtigheid is op zijn plaats omdat het aantal uitspraken nog beperkt is. De uitspraken, die veelal gaan over ontvankelijkheidskwesties, zijn afkomstig van de vreemdelingenkamer van de Afdeling bestuursrechtspraak, die daarmee de toon zet. Niet alleen voor de andere bestuursrechters, maar ook voor de burgerlijke rechter.4 Ik laat enkele tendensen de revue passeren.
Kinderziekten. Een van de tendensen is dat er nog heel wat kinderziekten kleven aan het digitale systeem van gegevensverwerking van de rechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in 2017 geoordeeld dat ‘niet is gebleken dat het digitale systeem van de rechtbank voorzag in een deugdelijke en betrouwbare wijze van ontvangstregistratie en bevestiging van ontvangst’. Daar is aan toegevoegd dat van de vreemdeling niet kon worden verlangd een schermafdruk te maken van de melding op het scherm om te kunnen bewijzen dat hij de gronden tijdig heeft ingediend.5 Ook in 2018 kwamen er onvolkomenheden in het digitale systeem aan het licht. Deze keer ging het om het niet goed functioneren van het veld ‘taken’. Uit de Werkinstructie voor vreemdelingenadvocaten volgt dat advocaten in het digitale systeem moeten kunnen zien dat een actie open staat, zoals het alsnog moeten indienen van de beroepsgronden voor een bepaalde datum. Bij nader onderzoek bleek dat die taak bij de eerste advocaat wel zichtbaar was, maar niet bij een opvolgend advocaat. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt daarover dat het digitaal systeem niet voldoet aan de door haar geformuleerde eis dat het ‘duidelijk en eenduidig’ moet werken. Omdat de taak niet is getoond aan de tweede gemachtigde, is de termijnoverschrijding bij het indienen van de beroepsgronden reeds daarom verschoonbaar, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.6
Onderzoeksplicht. Als partijen of hun gemachtigden in (hoger) beroep stellen dat het webportaal en het systeem voor digitale gegevensverwerking niet goed hebben gefunctioneerd, met een mogelijk gevolg voor de ontvankelijkheid van het (hoger) beroep, dan zal die klacht veelal leiden tot een onderzoek naar de relevante feiten. Voor partijen is het echter niet of nauwelijks mogelijk bewijs te leveren van de relevante feiten en omstandigheden als het gaat om de werking van het systeem van gegevensverwerking van de rechtspraak. Maar ook de bestuursrechter zelf is maar beperkt in staat die informatie boven tafel te krijgen. Als systeeminformatie nodig is om te kunnen beoordelen of een procespartij een steek heeft laten vallen, dan zal de beheerder van dat systeem er aan te pas moeten komen. Dat is inherent aan het werken met een landelijk digitaal systeem dat centraal wordt beheerd. De organisatie die de computersystemen voor de Rechtspraak ontwikkelt, beheert en onderhoudt was Spir-it, thans de Informatie Voorzienings Organisatie (IVO). Het Rechtspraak Servicecentrum (RSC), onderdeel van de IT-organisatie van de Rechtspraak, is het aanspreekpunt. Maar het RSC doet geen onderzoek op verzoek van partijen. Het RSC verschaft alleen informatie als een gerecht daarom vraagt. De Afdeling bestuursrechtspraak is niet een bij het RSC aangesloten gerecht. Dit verklaart waarom de Afdeling bestuursrechtspraak in enkele uitspraken heeft geoordeeld dat de rechtbank onderzoek had moeten laten uitvoeren. Zo komt de Afdeling bestuursrechtspraak in één van de zaken tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte geen onderzoek heeft laten instellen naar de vraag of de vreemdeling op een bepaalde dag wel of niet beroepsgronden heeft ingediend. Het bericht dat zich die dag in zijn algemeenheid geen storing in het systeem had voorgedaan, vindt de Afdeling bestuursrechtspraak niet toereikend. Aangezien de rechtbank de feitelijke gang van zaken onvoldoende heeft gecontroleerd, heeft zij ten onrechte geconcludeerd dat er geen reden was het te laat indienen van de beroepsgronden verschoonbaar te achten, zodat het beroep ten on- rechte niet-ontvankelijk is verklaard.7 Maar het komt ook voor dat de Afdeling bestuursrechtspraak vertegenwoordigers van de IT-dienst van de Rechtspraak uitnodigt om op zitting informatie te verstrekken over de werking van het systeem.8 Zulk onderzoek levert regelmatig essentiële informatie op. Zo komt de Afdeling bestuursrechtspraak in een andere zaak tot de conclusie dat de storing in de mailserver (fax to mail) van de gemachtigde niet aan de vreemdeling kan worden toegerekend.9 Als de rechtbank technisch onderzoek laat doen, dan vergen de regels van een ‘fair trial’ dat partijen de gelegenheid moet worden geboden daarop te reageren.10
Soepelheid en correctie. Uit een tiental uitspraken van de hogerberoepsrechter kan je niet afleiden hoe de rechtbanken omgaan met het digitale procesrecht. Het is mogelijk dat de rechtbanken de betreffende bepalingen doorgaans soepel toepassen, zodat er geen aanleiding is daarover in hoger beroep te klagen. Maar in een aantal zaken wordt over de toepassing van het digitale procesrecht door de rechtbanken in hoger beroep wel geklaagd. Het valt op dat de Afdeling bestuursrechtspraak in die zaken met regelmaat de rechtbank moet corrigeren, omdat de rechtbank het beroep naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.11 Daarbij lijkt de Afdeling bestuursrechtspraak, mede vanwege het feit dat er nog weinig ervaring is met digitaal procederen en vanwege de onvolkomenheden in het systeem van gegevensverwerking van de Rechtspraak, enige soepelheid te betrachten.
Varia. Rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak oordeelden unisono over de wettelijke verplichting om digitaal te procederen voor (vreemdelingen)advocaten. De stelling dat die verplichting niet gold omdat de vreemdeling zelf met pen het beroepschrift had ondertekend ging niet op. Daarbij betrokken de bestuursrechters dat alle overige proceshandelingen door de advocaat van de vreemdeling waren verricht, dat het beroepschrift was opgesteld op briefpapier van het advocatenkantoor en was verzonden met het faxapparaat van dat kantoor.12 Bij digitaal procederen in ‘Mijn Rechtspraak’ moet de gemachtigde een processtuk niet alleen ‘uploaden’ maar daarna ook nog ‘indienen’.13 Sommige advocaten klagen in een digitale procedure over het niet krijgen van een uitspraak per gewone post; zij worden dan gewezen op de verplichting voor de griffier om de uitspraak langs elektronische weg te verzenden.14