Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.2.4:13.2.4 Conclusie
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.2.4
13.2.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232724:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Certificering kan, afhankelijk van de voorwaarden waaronder dit heeft plaatsgevonden, tot gevolg hebben dat het certificaat een lagere waarde heeft dan het gecertificeerde goed. In het algemeen zal een dergelijk waardedrukkend effect zich voordoen voor zover het certificaat kenmerken ontbeert die (i) het onderliggende goed wel heeft en die (ii) mede de waarde van het onderliggende goed (in significante mate) bepalen. Dit kan bijvoorbeeld zeggenschap zijn. Indien het gecertificeerde goed zijn waarde niet of nauwelijks ontleent aan zeggenschap, hetgeen bijvoorbeeld bij een belegging het geval kan zijn, leidt het komen te ontbreken hiervan ook niet of nauwelijks tot een verschil in waarde tussen certificaat en gecertificeerd goed. Eenzelfde redenering is mogelijk voor andere beperkte aspecten van certificering, zoals niet-royeerbaarheid, beperkingen in de overdraagbaarheid en het ontbreken van een doorstootverplichting voor de STAK.
Deze conclusie impliceert echter dat een bepaalde te belasten waarde verdampt, omdat deze niet belast wordt bij de certificaathouder (in geval van inkomstenbelasting) of de verkrijger van de certificaten (in geval van schenk- of erfbelasting), maar ook niet bij een ander. Voor de STAK als juridisch eigenaar vertegenwoordigen de gecertificeerde goederen geen waarde, aangezien de STAK verplicht is om deze goederen en de daaruit voortkomende inkomsten op enig moment aan de certificaathouders over te dragen1. De vraag is dan in hoeverre dat een bezwaar is. Conceptueel is dat mijns inziens niet het geval; er zijn ook meer situaties denkbaar dat een wijziging van de voorwaarden waaronder of de persoon/personen, door wie een goed gehouden wordt, invloed heeft op de waarde die in de belastingheffing betrokken kan worden2. Vanuit het perspectief van de belastingheffing lijkt enige weerstand tegen dit effect mij evenwel denkbaar, maar dat is vanzelfsprekend geen reden om geen rekening te houden met een waardedrukkend effect, indien dit zich voordoet.
Ter afsluiting merk ik op dat het voorgaande er vanuit gaat dat voor de heffing van inkomstenbelasting en voor de toepassing van de Successiewet aangeknoopt moet worden bij het certificaat. In de navolgende paragraaf wordt onderzocht in hoeverre deze veronderstelling wel terecht is en, zo nee, wat voor consequenties dat dan heeft.