Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.2
A.2.2 Pensioenfonds Metaal en Techniek
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634734:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 2 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:402, C-252/14, BNB 2016/174 m.nt. P.G.H. Albert (Pensioenfonds Metaal en Techniek)
HvJ EU 8 november 2012, C-342/10, ECLI:EU:C:2011:635 (Commissie/Portugal), zie paragraaf A.2.4.
Fiscale Geschriften nr. 27, Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, P.H. Schonewille, Hoofstuk 9: Belastingen en pensioenen in EU-context, paragraaf 9.7, 1 januari 2020.
HvJ EU 17 september 2015, gevoegde zaken C-10/14, C-14/14 en C-17/14, ECLI:EU:C:2015:608(Miljoen, X en Société Générale), BNB 2015/224.
Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) is een in Nederland gevestigd pensioenfonds dat dividenden ontvangt uit portfolio-investeringen in Zweedse vennootschappen. Hierop is in Zweden 15% dividendbelasting ingehouden. PMT heeft de Zweedse Belastingdienst verzocht om terugbetaling van de dividendbelasting omdat Zweedse vennootschappen geen dividendbelasting hoeven in te houden op dividenduitkeringen aan in Zweden gevestigde pensioenfondsen.
Zweden onderwerpt een in Zweden gevestigd pensioenfonds aan een forfaitairrendementsheffing. De heffing wordt als volgt berekend. De waarde van de bezittingen van het pensioenfonds minus de schulden (op 1 januari) wordt vermenigvuldigd met het gemiddelde rendement op staatsobligaties van het jaar ervóór. De aldus berekende heffingsgrondslag wordt vermenigvuldigd met 15% (het belastingtarief).
Het HvJ oordeelde dat het verschil in behandeling een beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal dat in beginsel wordt verboden door het VWEU. Gelet op de doelstelling van de nationale regeling en het voorwerp en de inhoud ervan bevindt een niet-ingezeten pensioenfonds zich echter niet in een situatie die vergelijkbaar is met die van een ingezeten pensioenfonds en daarom verzet het vrij verkeer van kapitaal zich niet tegen de Zweedse nationale wettelijke regeling. Albert1 is van mening dat dit op gespannen voet staat met het arrest Commissie/Portugal.2 In dat arrest oordeelde het HvJ dat niet-Finse en Finse pensioenfondsen zich ten aanzien van Fins dividend in een objectief vergelijkbare situatie bevonden.
Schonewille3 is van mening dat de analyse van het HvJ niet juist is. Het zou rechtvaardiger zijn geweest om de bronheffing van 15% te vergelijken met de belasting die Zweden zou hebben kunnen heffen over het aandelenpakket als het in de grondslag van een Zweeds fonds zou hebben gezeten, met aftrek van een evenredig deel van de kosten van het Nederlandse pensioenfonds, maar klaarblijkelijk heeft geen van de bij de procedure betrokken partijen dit geclaimd. Het HvJ oordeelt nog wel dat het aan de verwijzende rechter is om na te gaan of het bij de belastingvorm die wordt toegepast op ingezeten pensioenfondsen mogelijk is rekening te houden met eventuele beroepskosten die rechtstreeks verband houden met de ontvangst van de dividenden, door de berekening van de heffingsgrondslag van die fondsen en meer bepaald doordat hun schulden in aanmerking worden genomen bij de berekening van de kapitaalbasis. Indien dit het geval is, moeten volgens het HvJ dergelijke kosten ook in aanmerking worden genomen voor niet-ingezeten pensioenfondsen. Het HvJ lijkt daarbij over het hoofd te zien dat op grond van de Pensioenfondsenrichtlijn pensioenfondsen hun beleggingen niet mogen financieren met vreemd vermogen.
PMT bevindt zich dus als buitenlands (niet-Zweeds) pensioenfonds niet in een situatie die vergelijkbaar is met een binnenlands (Zweeds) pensioenfonds. Daarom is er geen sprake van discriminatie. PMT kan echter toch aanspraak maken op restitutie van (een gedeelte van) de Zweedse dividendbelasting. Het HvJ overweegt namelijk dat het vrij verkeer van kapitaal zich er wel tegen verzet dat niet-ingezeten pensioenfondsen eventuele beroepskosten die rechtstreeks verband houden met de ontvangst van de dividenden niet in aanmerking kunnen nemen, terwijl die kosten volgens de methode voor de berekening van de heffingsgrondslag van ingezeten pensioenfondsen wel in aanmerking worden genomen. Dit is overigens in tegenstrijd met het arrest Société Générale4 waarin is geoordeeld dat er slechts rekening hoeft gehouden te worden met de directe inningskosten van het dividend.