Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/3.4.1
3.4.1 De opdrachtnemer lijdt schade
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855352:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze ruimte (van samenloop) blijkt uit de formulering van art. 7:658 lid 3 BW. Zowel de opdrachtnemer die wel voldoet aan de vereisten van art. 7:658 lid 4 BW als de opdrachtnemer die daar niet aan voldoet, kan dus een beroep doen op de bepalingen uit titel 6.3 BW. Gezien het slachtoffervriendelijke regime van art. 7:658 BW ligt het voor de hand dat de opdrachtnemer daar primair een beroep op doet en pas subsidiair op de algemene regels uit titel 6.3 BW.
Het ontbreken van een zorgplicht ligt m.i. niet besloten in art. 7:406 lid 2 BW (zie par. 3.2.1). Mocht dat wel zo zijn, dan bestaat nog steeds ruimte voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). Afd. 7.7.1 BW kent immers een uitschakelbepaling (art. 7:400 lid 2 BW), die er in de kern op neerkomt dat de regels uit afd. 7.7.1 BW niet gelden als iets anders voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht, een andere rechtshandeling, of de gewoonte. Weliswaar wordt de redelijkheid en billijkheid niet expliciet genoemd in de uitschakelbepaling, maar uit de toelichting in de parlementaire geschiedenis blijkt dat ook de redelijkheid en billijkheid boven de aanvullende regels van afd. 7.7.1 BW wordt gesteld (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 336; Pitlo-Croes e.a. 1995, p. 225).
Deze bescherming gaat vanzelfsprekend doorgaans minder ver dan art. 7:658 BW. Van een slachtoffervriendelijk regime kan in deze zin dan ook niet worden gesproken.
Zie daarover uitgebreider Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/77; Loos, NTBR 1999/8; Haak & Zwitser 2003, p. 137; Lamers 2012, p. 94; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/125.
Voor de vraag of een zorgplicht bestaat en wat de omvang daarvan is, kan mogelijk wel inspiratie worden ontleend aan hoe aan die zorgplicht invulling wordt gegeven bij art. 7:658 BW. Ook bij art. 7:658 BW wordt immers rekening gehouden met o.a. de deskundigheid van partijen en met wie het beste in staat is veiligheidsmaatregelen te treffen (zie par. 3.3.2.1).
Deze zorgplicht kan ook bestaan uit bepaalde medewerkings- of informatieverplichtingen.
Overigens kan het handelen van de opdrachtgever ook een onrechtmatige daad opleveren (art. 6:162 BW), die eventueel naast de wanprestatie (art. 6:74 BW) kan bestaan.
Deze samenloop doet zich voor als onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming, sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding (zie over deze samenloop uitgebreider Bakker, ORP 2021/2).
In dit kader geldt dat de opdrachtgever t.a.v. de art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer geen geslaagd beroep kan doen op de eventuele eigen schuld van die opdrachtnemer in de zin van art. 6:101 BW (HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3985 (Van Doesburg/Tan); HR 12 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9124 (Heijboer/De Branding); HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3412 (El Hachioui/Hester)). Dit betekent dat, als de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer is toe te rekenen, de vergoedingsplicht van de opdrachtgever niet evenredig wordt verminderd met de mate waarin de aan de opdrachtnemer toe te rekenen omstandigheid tot de schade heeft bijgedragen. Ook in die situatie draagt de opdrachtgever slechts niet de schade indien deze in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de opdrachtnemer (zie par. 3.3.2.2) (zie t.a.v. art. 6:162 BW HR 12 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9124 (Heijboer/De Branding); HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3412 (El Hachioui/Hester), en t.a.v. art. 6:170 BW HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3985 (Van Doesburg/Tan)). Hoewel deze arresten betrekking hadden op de werknemer, zie ik geen reden waarom dit anders zou (moeten) zijn voor de art. 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer, aangezien de opdrachtgever in de art. 7:658 lid 4 BW-situatie – net als de werkgever – degene is die (in eerste instantie) de werkomstandigheden van deze opdrachtnemer bepaalt.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/211. Naast deze redelijkheidstoetsing kunnen exoneratiebedingen worden getoetst aan de goede zeden, maar dat komt in de praktijk nog maar zelden voor en dat laat ik daarom onbesproken (Van den Brink 2002, p. 65; De Graaf, Exoneraties in (ICT-) contracten tussen professionele partijen (R&P nr. 141) 2006, p. 5 e.v.; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/5.35.2; Asser/Sieburgh 6-I 2020/364 en 369). Bovendien kan het exoneratiebeding worden beperkt langs de weg van de (‘corrigerende’) uitleg (Hesselink 1999, p. 166 e.v.; Van Wechem 1994, p. 55; Van Wechem, Contracteren 2019/3.2; Asser/Sieburgh 6-I 2020/364).
Hierbij ga ik ervan uit dat de opdrachtnemer een ‘kleine’ wederpartij is en zelf geen vergelijkbare algemene voorwaarde hanteert (en dus niet onder art. 6:235 BW valt). Overigens is het denkbaar dat deze opdrachtnemer in zijn bewijspositie wordt versterkt door de reflexwerking van de ‘grijze lijst’ (zie uitgebreider Schelhaas 2018, p. 24 e.v.; Loos 2018, p. 222), waarmee het vermoeden zou worden gevestigd dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is (art. 6:237 sub f BW).
Als een beroep op art. 6:233 sub a BW mogelijk is, sluit dat een beroep op art. 6:248 lid 2 BW niet uit (HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0659 (Bramer/Colpro)). Weliswaar kunnen de rechtsgevolgen van beide bepalingen niet naast elkaar intreden (geen cumulatie), maar de opdrachtnemer mag dus wel kiezen op welke bepaling hij zich beroept (alternativiteit).
Zie ook Van Wechem 2007, p. 69 e.v.; Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/25; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/7.47.2; Schelhaas 2018, p. 27; Loos 2018, p. 104. Zie anders Tjittes 2022, p. 630-631. HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1923 (Spinnin Records/Martin Garrix) brengt daar m.i. geen verandering in (zie anders Van Wechem & Rinkes, NJB 2022/948). De overweging van de HR dat art. 25f lid 2 Auteurswet, die qua tekst overeenkomt met art. 6:233 sub a BW, een ‘lichtere’ toets dan art. 6:248 lid 2 BW inhoudt, kan in mijn ogen namelijk niet worden doorgetrokken naar art. 6:233 sub a BW. De reden hiervan is dat de ‘lichtere’ toets van art. 25f lid 2 Auteurswet voortvloeit uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2011/12, 33 308, 3, p. 21-22), terwijl t.a.v. art. 6:233 sub a BW juist is opgemerkt dat deze toetsingsmaatstaaf niet repressiever is dan wat uit art. 6:248 lid 2 BW kan worden afgeleid, maar uitsluitend een meer op de beoordeling van de algemene voorwaarden toegespitste toets (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1595-1596 en 1620-1621).
HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1210 (Matatag/De Schelde); HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664 (GTI Zwolle/Zürich Versicherungsgesellschaft).
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 (ABN AMRO/SDB c.s.). Toekomstige omstandigheden kunnen slechts in de inhoudstoetsing worden meegenomen als zij al voor of bij het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren (HvJ EU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703 (Andriciuc/Banca Românească)).
HR 25 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9329 (Van der Meer/Smilde); HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1923 (Spinnin Records/Martin Garrix).
Hiermee zeg ik overigens niet dat beide bepalingen verder identiek zijn (zo kennen zij verschillende sancties, moet op art. 6:233 sub a BW een beroep worden gedaan en verjaart de vordering tot vernietiging op grond van art. 6:233 sub a BW eerder (zie uitgebreider concl. A-G Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2002:AE0659 voor HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0659 (Bramer/Colpro); Van Wechem 2007, p. 77 e.v.; Van Wechem, Contracteren 2019/3.2), maar de materiële verschillen zijn verwaarloosbaar en de overige verschillen zijn voor mijn onderzoeksvraag niet relevant; het gaat erom of de opdrachtnemer een exoneratiebeding tegen zich zou moeten laten gelden.
Vaak moet in dit soort situaties worden teruggevallen op het algemeen geformuleerde art. 3:12 BW, waaruit volgt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eist, rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.
HR 12 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2524 (Gemeente Stein/Driessen); HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663 (Spector/Fotoshop); HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2984 (BT Nederland/Scaramea); HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9994 (Van den Hoek/Pots). Overigens geldt omgekeerd niet dat bij afwezigheid van opzet of bewuste roekeloosheid het exoneratiebeding per definitie van toepassing blijft (HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6913 (Kuunders/Swinkels)). Zie over de inhoud van de term ‘bewuste roekeloosheid’ concl. A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2018:253 voor HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:679 (Westplant Limburg/Haspel).
HR 19 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4745 (Saladin/HBU); HR 20 februari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5695 (Van der Laan/Top (Pseudo-vogelpest)); HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1210 (Matatag/De Schelde); HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5783 (Interpolis Schade/Peeten); HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6913 (Kuunders/Swinkels). Zie ook Duyvensz 2003, p. 19 e.v.; De Graaf, Exoneraties in (ICT-) contracten tussen professionele partijen (R&P nr. 141) 2006, p. 70-71 en 129-137; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/5.35.1; De Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/17.3; Van Wechem, Contracteren 2019/3.2.
Zie in algemene zin Tjittes 1994, p. 203 e.v.; Schelhaas, AA 2018/681. Immers, het argument van de ‘extra’ terughoudende opstelling als het B2B-relaties betreft, zoals de HR een aantal maal heeft benadrukt (HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1210 (Matatag/De Schelde); HR 30 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6338 (Ermer/ABN AMRO); HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664 (GTI Zwolle/Zürich Versicherungsgesellschaft)), gaat in het geval van een duidelijk zwakkere partij minder snel op. Aan die opstelling ligt o.a. de gedachte ten grondslag dat partijen de risico’s inschatten en contractueel verdelen en dat zij bij hun ondernemersactiviteiten daarop moeten kunnen vertrouwen, aangezien zij mede op basis daarvan beslissen of zij de opdracht aangaan en, zo ja, tegen welke voorwaarden (Tjittes 1994, p. 25-28 en 44; Tjittes 1997, p. 380; Tjittes, Contracteren 2001/2; Schelhaas 2016, p. 136-137; Schelhaas & Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/3.3.2; Tjittes 2022, p. 30). Hoe zwakker de ene partij t.o.v. de andere partij is, hoe groter echter de kans is dat de zwakkere partij veel risico’s draagt, waardoor het argument van bouwen op de verdeelde risico’s wegvalt (Schelhaas 2018, p. 24 e.v.).
Het enkele feit dat partijen van meet af aan ongelijkwaardiger zijn en dat het beding voor de zwakkere partij bezwaarlijk is, geeft namelijk nog geen rechtvaardiging tot het terzijde stellen van dat beding op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) (Wiarda 1999, p. 48; Asser/Sieburgh 6-III 2018/421).
Het algemene verbintenissenrecht kan de opdrachtnemer aan de onderkant die schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, in dit verband handvaten bieden. De schadelijdende opdrachtnemer kan de opdrachtgever aanspreken op grond van een aansprakelijkheid uit titel 6.3 BW, ongeacht of hij een beroep kan doen op artikel 7:658 BW (zie paragraaf 3.3).1 De mogelijkheden daartoe komen hieronder nader aan bod.
De zorgplicht van de opdrachtgever (artikel 6:248 lid 1 BW)
De regeling inzake de opdracht kent alleen het ‘goed opdrachtnemerschap’ (artikel 7:401 BW) (zie paragraaf 3.2.2). Een zodanige zorgplicht voor de opdrachtgever ontbreekt. Dit betekent (uiteraard) niet dat een opdrachtgever zich in het algemeen niet dient te gedragen als een goed opdrachtgever. Deze zorgplicht kan ofwel uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW),2 ofwel uit het contract zelf volgen. Een zorgplicht is dus niet exclusief voorbehouden aan artikel 7:658 BW (zie paragraaf 3.3).3 De redelijkheid en billijkheid kan dus meebrengen dat de opdrachtgever maatregelen moet nemen ter bescherming van de opdrachtnemer, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.4 Dat zal zich met name voordoen als de opdrachtgever het beste in staat is veiligheidsmaatregelen te treffen voor een bekend en aanzienlijk veiligheidsrisico.5 Laat de opdrachtgever in zo’n situatie na dergelijke maatregelen te nemen en lijdt de opdrachtnemer daardoor schade, dan levert dat een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis op.6 De opdrachtnemer kan de tekortschietende opdrachtgever dan aansprakelijk stellen, althans als het gaat om een toerekenbare tekortkoming (artikel 6:74 BW).7 Een belangrijk verschil met de zorgplicht van artikel 7:658 BW is dat de schadelijdende opdrachtnemer in dit geval niet alleen moet bewijzen dat hij de schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar ook dat de opdrachtgever een zorgplicht had en deze heeft geschonden. Dat is anders bij artikel 7:658 BW, waarin de bewijslast wordt omgedraaid zodra vaststaat dat de schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden, waardoor de opdrachtgever aansprakelijk is als hij niet kan bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) biedt de opdrachtnemer dus wel de mogelijkheid om voor de vergoeding van zijn schade in aanmerking te komen, maar zet de beschermingsdeur minder wijd open dan artikel 7:658 BW dat doet.
De onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en de kwalitatieve aansprakelijkheid van de opdrachtgever (artikel 6:170-171 BW)
Het is mogelijk dat de opdrachtnemer schade lijdt door een onrechtmatige handeling van de opdrachtgever. In die situatie kan hij de opdrachtgever niet alleen aansprakelijk stellen op grond van wanprestatie (artikel 6:74 BW), maar ook op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).8 Het is echter ook denkbaar dat de opdrachtnemer schade lijdt door een ondergeschikte of niet-ondergeschikte van de opdrachtgever. In dat geval kan de opdrachtnemer zowel de pleger (op grond van artikel 6:162 BW) als de opdrachtgever (krachtens artikel 6:170-171 BW) aanspreken voor de vergoeding van zijn schade.9 Deze (kwalitatieve) aansprakelijkheid van artikel 6:170-171 BW bespreek ik nader in paragraaf 3.4.3. Let op: in die paragraaf behandel ik de opdrachtnemer die schade aan een derde toebrengt en niet, zoals in deze paragraaf, de opdrachtnemer die schade lijdt. De derde is in paragraaf 3.4.3 dus de benadeelde partij. Mocht de opdrachtnemer de benadeelde partij zijn en de opdrachtgever aansprakelijk stellen op grond van artikel 6:170-171 BW, dan moet, waar ik in paragraaf 3.4.3 spreek over ‘de derde’, worden gelezen ‘de opdrachtnemer’.
Exoneratiebedingen
Tot nu toe zijn verschillende grondslagen besproken op basis waarvan de opdrachtnemer de opdrachtgever kan aanspreken om de door hem geleden schade vergoed te krijgen. Deze mogelijke aanspraken van de opdrachtnemer kunnen contractueel worden uitgesloten of beperkt, een zogenoemd exoneratiebeding. Zo kan in de overeenkomst zijn opgenomen dat de opdrachtgever niet is verplicht de schade te vergoeden die het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad. Zo’n afspraak is niet mogelijk ten aanzien van een artikel 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer. Van zowel artikel 7:658 als titel 6.3 BW kan immers niet ten nadele van deze opdrachtnemer worden afgeweken (artikel 7:658 lid 4 jo. lid 3 BW) op straffe van vernietigbaarheid (artikel 3:40 lid 2 BW) (zie paragraaf 3.3.3).
Als de opdrachtnemer buiten het bereik van artikel 7:658 lid 4 BW valt, geldt dat exoneratiebedingen in de regel zijn toegestaan. Een inhoudelijke beoordeling aan de hand van de algemeen verbintenisrechtelijke regels kan echter meebrengen dat een exoneratiebeding niet in stand blijft;10 het beding kan worden vernietigd indien deze onredelijk bezwarend is (artikel 6:233 sub a BW),11 voor zover sprake is van een algemene voorwaarde (artikel 6:231 sub a BW), dan wel terzijde worden geschoven als de toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).12 Deze toetsingsmaatstaven zijn materieel dezelfde,13 en bevatten beide een zeer strenge norm.14 Wel bestaat een verschil in onder andere het toetsingsmoment. Bij de onredelijke bezwarendheid (artikel 6:233 sub a BW) mogen in principe alleen omstandigheden worden betrokken die zich hebben afgespeeld voor of bij het sluiten van de overeenkomst.15 Bij de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) mag ook worden gelet op de omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan.16 Hierdoor is de toets van artikel 6:248 lid 2 BW ruimer en omvat deze naar zijn aard ook de omstandigheden die voor de toets van artikel 6:233 sub a BW belangrijk zijn.17 Dit, in combinatie met het feit dat er geen materieel verschil bestaat tussen de maatstaven ‘onredelijk bezwarend’ en ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’,18 heeft tot gevolg dat ik hierna de bepalingen gezamenlijk bespreek en mij daarbij beperk tot het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).19
Of een exoneratiebeding de onaanvaardbaarheidstoets weet te doorstaan (artikel 6:248 lid 2 BW), is afhankelijk van de waardering van alle (relevante) omstandigheden van het geval. Concrete vuistregels zijn er op dit terrein haast niet.20 Een schaars voorbeeld van een concrete vuistregel is dat een exoneratiebeding ‘in het algemeen’ buiten toepassing moet blijven als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de opdrachtgever (schuldenaar) of een persoon waarvoor hij verantwoordelijk is.21 Het komt dus doorgaans aan op de in de jurisprudentie ontwikkelde omstandighedencatalogus, die moet worden betrokken bij de vraag of de toepassing van een beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Meer specifiek gaat het onder andere om de aard en ernst van de voorzienbare schade, de mate van schuld, de strekking van het beding, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, de totstandkomingswijze van het beding, de wederzijdse kenbare partijbelangen, de maatschappelijke positie van partijen, de onderlinge verhouding, de aard van de overeenkomst, het gebruik in de branche, de afwijking van aanvullend recht, de mogelijkheden tot verzekerbaarheid en de dekking door de verzekering.22 Het schiet het doel van deze studie voorbij deze factoren stuksgewijs langs te lopen. Het punt dat ik met deze opsomming namelijk wil maken, is dat de opdrachtnemer die niet voldoet aan de criteria van artikel 7:658 lid 4 BW (en dus doorgaans niet in een veiligheidsafhankelijke positie verkeert), zich wel in economisch zwakkere positie kan bevinden en dat met deze hoedanigheid rekening kan worden gehouden bij de toetsing van de houdbaarheid van een exoneratiebeding.23 Daarmee bedoel ik niet dat de onaanvaardbaarheidsnorm minder streng is doordat de partij die hier een beroep op doet, zwak is,24 maar wel dat eerder sprake zal zijn van een situatie waarin een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).