De aanvankelijke termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur liep in de onderhavige zaak van 22 oktober 2025 tot en met 20 november 2025. Nadat namens de klager bij de rolraadsheer tijdig processtukken zijn opgevraagd, heeft de rolraadsheer aan de advocaten van de klager een nadere termijn verleend voor het kunnen wijzigen en/of aanvullen van de ingediende cassatieschriftuur van 12 november 2025 dan wel voor het intrekken van één of meer van de daarin voorgestelde cassatiemiddelen. Die nieuwe termijn liep tot en met 8 december 2025.
HR, 14-04-2026, nr. 25/03511
ECLI:NL:PHR:2026:392
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
25/03511
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2026:392, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑04‑2026
Conclusie 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag a.b.i. art. 98 Sv jo. art. 552a Sv. Beslag op een samenwerkingsovereenkomst t.z.v. verdenking van fraude rond de opvang van asielzoekers. Beklag is gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris a.b.i. art. 98.3 Sv inhoudende dat de samenwerkingsovereenkomst geen geheimhouderstuk is. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep, omdat voor de klager, die geen verschoningsgerechtigde is, geen rechtsmiddel openstaat tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Samenhang met 25/03512.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03511 B
Zitting 14 april 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 8 april 2025 (parketnr. 81/328218-23, RK-nr. 24-031702) de klager niet-ontvankelijk verklaard in het op grond van art. 98 lid 4 Sv in verbinding met art. 552a Sv ingediende klaagschrift, gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 11 december 2024 als bedoeld in art. 98 Sv.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/03512. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 17 april 2025 ingesteld namens de klager. A.H.J. Saes en S.J.C. van den Wijngaard, advocaten in Amsterdam, hebben bij schriftuur van 12 november 2025 twee middelen van cassatie voorgesteld. Bij tijdig ingediende aanvullende schriftuur van 8 december 2025 is de toelichting op het eerste middel aangevuld en zijn de middelen voor het overige gehandhaafd.1.
1.4
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. Wat aan het cassatieberoep vooraf is gegaan
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Het Functioneel Parket in Amsterdam en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) zijn een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam ‘Chalton’. Het gaat om een verdenking van niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode van 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023. [A] BV (hierna: [A] ) en (middellijk) bestuurder [betrokkene 1] worden ervan verdacht contracten te hebben afgesloten met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) voor het bemiddelen in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers tussen het COA en de [B] van het [klager] -concern. Verdachte [betrokkene 2] zou hierbij middels zijn bedrijf [C] B.V., eveneens verdachte, de contactpersoon namens de [B] zijn geweest.
2.3
Op 20 juni 2024 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in onder andere de woning van [betrokkene 1] . Tijdens die doorzoeking heeft de rechter-commissaris een stuk, te weten een samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en [C] van 4 november 2022, onder zich genomen om te beoordelen of daarop mogelijk een verschoningsrecht rust. De samenwerkingsovereenkomst is opgesteld door advocaten van het advocatenkantoor [D] .
2.4
Op 11 december 2024 heeft de rechter-commissaris beslist dat de overeenkomst mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam, omdat – kort gezegd – die overeenkomst volgens de rechter-commissaris niet onder het verschoningsrecht van [D] valt.
2.5
2.6
Op 20 februari 2025 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk gereageerd op het klaagschrift van de klager.
2.7
Op 24 maart 2025 hebben de advocaten van de klager schriftelijk gereageerd op het standpunt van het Openbaar Ministerie.
2.8
Op 25 maart 2025 heeft de meervoudige raadkamer van de rechtbank het klaagschrift van de klager van 23 december 2024 behandeld.
2.9
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Standpunt van klager
De samenwerkingsovereenkomst valt onder het verschoningsrecht van [D] , nu deze door [D] is opgesteld voor haar cliënten. [D] trad op voor [A] , maar had ook een advocaat-cliënt-relatie met [C] en [klager] .
De door de rechter-commissaris aangelegde maatstaf bij de filtering is te beperkt.
Volgens vaste jurisprudentie strekt het verschoningsrecht zich niet slechts uit tot informatie die door een cliënt aan zijn advocaat is toevertrouwd of andersom, maar beschermt het de gehele relatie tussen een advocaat en de cliënt. In de overeenkomst staan werkzaamheden beschreven die in de praktijk door advocaten van [D] werden verricht. De inhoud van de overeenkomst raakt rechtstreeks aan die werkzaamheden. Deze werkzaamheden vallen onder de geheimhoudingsplicht van [D] . [D] heeft zich echter ten onrechte niet op het aan [D] toekomende verschoningsrecht beroepen. Tegen [D] is door de advocaten van klager inmiddels een tuchtklacht ingediend.
Primair wordt verzocht de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen en te bepalen dat de overeenkomst niet aan het onderzoeksteam mag worden vrijgegeven.
Subsidiair wordt verzocht de beslissing op het klaagschrift aan te houden teneinde nadere informatie over het standpunt van [D] in te winnen bij de rechter-commissaris, dan wel in afwachting van de tuchtprocedure.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren. Klager is geen verschoningsgerechtigde. Op grond van vaste jurisprudentie staat daarom geen beklag op grond van artikel 98 lid 4 Sv voor hem open.
De samenwerkingsovereenkomst is opgesteld door [D] . [D] heeft als verschoningsgerechtigde geen klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Dan moet het ervoor worden gehouden dat door hen geen beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht.”
2.10
De rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag en heeft in dat verband het volgende overwogen:
“Beoordeling
Bij de doorzoeking in het strafrechtelijk onderzoek Chalton zijn documenten in beslag genomen. Deze doorzoeking heeft plaatsgevonden bij [betrokkene 1] . Hij is de beslagene. De rechter-commissaris heeft vervolgens de in beslag genomen geschriften gefilterd op geheimhouderstukken. Hieruit kwam de onderhavige samenwerkingsovereenkomst naar voren. In deze overeenkomst staat [C] genoemd. [C] en [klager] zijn geen beslagenen maar zijn wel als verdachten in het onderzoek Chalton aangemerkt.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of een geschrift object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaakt, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon.
Ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst is de rechtbank van oordeel dat die onder het verschoningsrecht van [D] valt, als opsteller van de overeenkomst.
[C] en [klager] zijn geen verschoningsgerechtigden.
Gelet op het feit dat zij wel als verdachten zijn aangemerkt in dit strafrechtelijk onderzoek zal de rechtbank klager als belanghebbende in deze procedure zien.
Bij een procedure als de onderhavige is het aan de rechtbank om, als klager niet de verschoningsgerechtigde is, te onderzoeken of de verschoningsgerechtigde zelf op de hoogte is gesteld van het voornemen van de rechter-commissaris om een stuk waar verschoningsrecht op kan rusten, aan het onderzoeksteam vrij te geven.
Uit de door klager overgelegde stukken komt naar voren dat de rechter-commissaris op 22 januari 2025 aan klager heeft bericht dat de beschikking van 11 december 2024 ook naar (de gemachtigde van) [D] is gestuurd en dat er contact is geweest met [D] . [D] heeft geen klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingediend.
Nu niet is gebleken dat [D] zich ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst op het aan [D] toebehorende verschoningsrecht heeft beroepen, maakt dit dat klager in zijn beklag niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Dat de advocaten van klager inmiddels een tuchtprocedure hebben aangespannen waaruit mogelijk zou kunnen volgen dat [D] , in het licht van een mogelijke advocaat-cliënt-relatie met klager ten onrechte geen beroep op het verschoningsrecht heeft gedaan, maakt de beslissing van de rechtbank niet anders. Immers, er is in deze procedure door de verschoningsgerechtigde zelf geen beroep op het verschoningsrecht gedaan.
De rechtbank zal de beslissing op het klaagschrift in afwachting van de uitkomst van de tuchtprocedure dan ook niet aanhouden.
Ter zitting is overigens nog naar voren gekomen dat de onderhavige overeenkomst door een vordering op grond van artikel 126nd Sv aan de ING bank reeds bij het onderzoeksteam terecht is gekomen.
De consequenties van deze constatering liggen nu niet aan de rechtbank ter beoordeling voor. De rechtbank heeft dit punt dan ook niet in deze beslissing betrokken.
Beslissing
De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.”
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Op grond van art. 94 lid 1 Sv zijn onder meer alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar voor inbeslagneming. Ingevolge art. 98 lid 1 Sv mogen bij personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv (uit hoofde van hun ambt, beroep of stand) brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt niet zonder hun toestemming in beslag worden genomen.
3.2
Op grond van art. 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken.2.Hierbij geldt als uitgangspunt dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over de vraag of de stukken onder het verschoningsrecht vallen.3.Daarbij is irrelevant of de stukken zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij de cliënt bevinden.4.Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.5.De rechter-commissaris beoordeelt of het standpunt van de geheimhouder onjuist is bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde.6.Voor zover het voor de beoordeling noodzakelijk is, mag de rechter-commissaris kennisnemen van de stukken.7.Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming is toegestaan, dan deelt hij op grond van art. 98 lid 3 Sv de verschoningsgerechtigde mede dat tegen zijn beslissing beklag openstaat en dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.8.
3.3
Ingevolge art. 98 lid 4 Sv wordt de beschikking van de rechter-commissaris aan de verschoningsgerechtigde betekend. De verschoningsgerechtigde kan binnen veertien dagen na de betekening op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift tegen de beschikking indienen. Het moment waarop de veertiendagentermijn aanvangt, ligt dus bij het moment waarop de betekening van de beschikking aan de verschoningsgerechtigde heeft plaatsgevonden. Het Wetboek van Strafvordering bevat in dit verband geen regeling op grond waarvan de termijn aanvangt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat genoemde beschikking de verschoningsgerechtigde bekend is. Op de betekening van een beschikking als bedoeld in art. 98 Sv zijn de voorschriften van art. 36a Sv e.v. van toepassing. Op grond van art. 36b lid 2 Sv geschiedt de betekening van een gerechtelijke mededeling door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze.9.Toezending van de beschikking per e-mail aan de verschoningsgerechtigde levert geen rechtsgeldige betekening op.10.
3.4
In het geval de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, in een beklagprocedure als bedoeld in art. 552a Sv aanvoert dat zich bij de in beslag genomen bescheiden, brieven of andere stukken bevinden ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat ook in dat geval de procedure als bedoeld in art. 98 Sv zal moeten worden gevolgd. De rechter-commissaris zal dan moeten beslissen over het beroep op het verschoningsrecht. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan, dan moet zijn beschikking aan de betrokken verschoningsgerechtigde worden betekend.11.Op grond van art. 98 lid 4 Sv kunnen alleen de in art. 98 lid 1 Sv bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift indienen tegen de beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 lid 3 Sv.12.
3.5
In de beklagzaak van de beslagene of van een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, moet het (onherroepelijke) oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt worden genomen. Als in die laatste procedure (onherroepelijk) is beslist dat inbeslagneming van de betreffende stukken in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken niet toegestaan. Als het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard in het klaagschrift voor zover het betrekking heeft op klachten over het verschoningsrecht.13.Indien de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.14.
3.6
In het namens de klager ingediende klaagschrift van 23 december 2024 is te lezen dat het een “klaagschrift ex art. 98 Sv jo. 552a Sv” betreft. Het klaagschrift is blijkens de inhoud daarvan enkel gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 11 december 2024. Van een situatie waarin het klaagschrift ook kan worden aangemerkt als een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv en in het licht daarvan irrelevant is welk artikelnummer het klaagschrift vermeldt, te weten art. 98 Sv en/of art. 552a Sv, is dan ook geen sprake. Verder is van belang dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de klager geen verschoningsgerechtigde als bedoeld in art. 98 Sv is. Dit blijkt ook uit de stukken van het geding.15.
3.7
Aangezien de klager niet kan worden aangemerkt als een in art. 98 lid 1 Sv bedoelde persoon met bevoegdheid tot verschoning, staat op grond van art. 98 lid 4 Sv voor hem geen rechtsmiddel open tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Gelet hierop heeft de rechtbank – wat er ook zij van de motivering die de rechtbank daarvoor heeft gegeven– de klager terecht niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. Dit brengt mee dat voor de klager evenmin beroep in cassatie openstaat, zodat de klager daarin niet kan worden ontvangen.16.
4. Slotsom
4.1
De middelen behoeven geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑04‑2026
HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, NJ 2010/144, rov. 3.3; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.4; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.3; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3; HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562, NJ 2024/176, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.2; HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, NJ 2025/260, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.2.1.
HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, NJ 2014/11, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.4; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.3-3.4; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3.
HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, NJ 2010/144, rov. 3.3; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, NJ 2014/11, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.4; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.2.
HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, NJ 2010/144, rov. 3.3; HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0004, NJ 2014/11, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.4; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3.
HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, NJ 2010/144, rov. 3.3; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.4; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3.
HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 3.4 en HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3.
HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048, NJ 2021/117, m.nt. T. Kooijmans, rov. 4.2.3 en HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562, NJ 2024/176, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.2. Zie ook HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, NJ 2025/260, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.2.1.
Zie ook de conclusie van (voormalig) A-G Harteveld van 27 februari 2024, randnrs. 4.16-4.17, vóór HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562, NJ 2024/176, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562, NJ 2024/176, m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, NJ 2016/8, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.4-2.5.2.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:312, NJ 2024/173, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, NJ 2016/8, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.5.3 en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316, NJ 2024/174, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.
Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, NJ 2016/8, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.5.3.
HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:312, NJ 2024/173, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.