Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.6
4.4.6 Artikel 6:203 bij alle prestaties, artikel 6:212 alleen bij inbreuken op exclusieve rechtsposities
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498835:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 6, p. 804.
Linssen 2001, p. 472-473.
Voor het Duitse recht heeft Von Caemmerer in 1954 een dergelijke catalogus opgesteld (zie hoofdstuk 3, par. 3.2 en 3.5). De rechtsposities die in par. 4.2.5 onder ii onder verwijzing naar Linssen zijn beschreven, zijn gedeeltelijk op deze catalogus gebaseerd.
Vrijwel alle exclusieve rechtsposities die door Linssen worden onderscheiden, zijn ook volgens mij rechtsposities op grond waarvan alleen de rechthebbende daartoe bevoegd is tot het genot, gebruik en exploitatie van de voordelen die liggen besloten in deze rechtsposities. Ik meen echter, anders dan Linssen, dat misbruik van vertrouwen geen inbreuk op een exclusieve rechtspositie vormt.
Asser/Vranken 1995 (Algemeen Deel ***), nr. 141-154 met verdere literatuurverwijzingen.
Hierboven is voorgesteld om een onderscheid te maken tussen verrijkingen die ontstaan als gevolg van een prestatie en verrijkingen die ontstaan als gevolg van een inbreuk. Dit onderscheid roept de vraag op hoe deze twee categorieën verrijkingen zich verhouden tot de vorderingen uit onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking. Het ligt naar mijn mening voor de hand om te aanvaarden dat in het systeem van het Burgerlijk Wetboek verrijkingen die het gevolg zijn van prestaties onder het bereik van artikel 6:203 vallen. Dit geldt zowel voor prestaties van de verarmde als voor handelingen van een derde die aan de verarmde kunnen worden toegerekend. Ik werk deze stelling uitvoerig uit in het volgende hoofdstuk.
Echter, de hier hiervoor onderscheiden categorie prestaties valt niet samen met de uitleg die in de literatuur en parlementaire geschiedenis wordt gegeven aan het begrip ‘betaling’ in artikel 6:203. In de parlementaire geschiedenis wordt over dit begrip opgemerkt dat ‘het er om gaat of hetgeen in concreto is gebeurd, naar zijn objectieve strekking als een prestatie aangemerkt kan worden,’ en dat het dient te gaan ‘om een door de een tot een bepaalde andere persoon gerichte handeling.’1 Uit deze opmerking wordt in de literatuur bijvoorbeeld afgeleid dat bij een zogeheten afgekorte betaling slechts één enkele prestatie wordt verricht.
Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Stel dat A een schuld heeft aan B en dat B een schuld heeft aan C. In opdracht van B presteert A rechtstreeks aan C met de bedoeling dat zowel de schulden van A als B tenietgaan. Volgens de heersende leer is deze bedoeling niet relevant, zodat alleen een prestatie wordt verricht door A aan C. Er wordt daarnaast niet een prestatie verricht door A aan B of door B aan C. Doet zich een gebrek voor in de rechtsverhouding BC, dan kan B het betaalde niet van C terugvorderen op grond van artikel 6:203. B moet dan een beroep doen op artikel 6:212.
In het volgende hoofdstuk onderzoek ik de heersende leer op dit punt. Ik betoog daar dat het prestatiebegrip van artikel 6:203 ruimer moet worden opgevat. Een handeling kan als een prestatie worden toegerekend aan een andere persoon dan degene die haar heeft verricht. (Aldus kan worden aangenomen dat in het bovenstaande voorbeeld ook een prestatie wordt verricht door B aan C.) Daarbij verdedig ik een enigszins andere uitleg van het begrip rechtsgrond, zodat niet alleen aan de hand van het prestatiebegrip, maar ook aan de hand van het begrip rechtsgrond een systematische en rechtvaardige oplossing in meerpartijenverhoudingen kan worden bereikt.
Wanneer het prestatiebegrip zo ruim wordt opgevat als ik in het volgende hoofdstuk voorstel, heeft de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking geen aanvullende betekenis voor alle gevallen waarin een prestatie is verricht. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking moet daarom worden gereserveerd voor gevallen waarin sprake is van een inbreuk op exclusieve rechtsposities. Ik sluit mij in grote lijnen aan bij het pleidooi van Linssen dat een vordering op grond van artikel 6:212 ontstaat in gevallen waarin de schuldenaar inbreuk heeft gemaakt op een exclusieve rechtspositie zonder concrete schade te veroorzaken. Echter, op een belangrijk punt wijk ik af van de opvatting van Linssen. Linssen betoogt namelijk dat het bereik van artikel 6:212 moet worden uitgebreid zodat het artikel betrekking heeft op zowel de ‘bestaande gevallen’ als gevallen waarin de schuldenaar een inbreuk heeft gepleegd op een exclusieve rechtspositie.2 Ik meen daarentegen dat artikel 6:212 moet worden beperkt tot gevallen waarin de schuldenaar een inbreuk heeft gepleegd op een exclusieve rechtspositie. Dat kan door de woorden ‘verrijking’, ‘schade’ en ‘ten koste van’ zo op te vatten dat daarvan slechts sprake is bij een inbreuk op een exclusieve rechtspositie. Aldus wordt artikel 6:212 naar mijn mening op een systematische wijze omlijnd.
De hier voorgestelde beperking van de vordering uit artikel 6:212 tot inbreuken op exclusieve rechtsposities brengt mee dat een catalogus van dergelijke rechtsposities moet worden opgesteld.3 Linssen heeft enkele rechtsposities onderscheiden die aan de rechthebbende het exclusieve recht toekennen op genot, gebruik en exploitatie van het voordeel dat ligt besloten in deze posities. Deze heb ik in paragraaf 4.2.5 (onder ii) beschreven.4 Het valt niet uit te sluiten dat andere rechten en belangen ook moeten worden erkend als rechtsposities die aan de rechthebbende een exclusieve bevoegdheid toekennen. In dit proefschrift tracht ik niet een complete catalogus van exclusieve rechtsposities op te stellen, maar volsta ik met een poging om een raamwerk te ontwikkelen voor omlijning van artikel 6:212. Dit betekent dat nader onderzoek naar exclusieve rechtsposities gewenst is.
Tot slot merk ik ter verantwoording het volgende op. De door mij voorgestelde uitleg van de woorden ‘verrijking’, ‘verarming’ en ‘schade’ in de tekst van artikel 6:212 als inbreuken op exclusieve rechtsposities, gaat in tegen de geest van de parlementaire geschiedenis. In de parlementaire geschiedenis wordt de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking immers gezien als een schadevergoedingsvordering. Een dergelijke breuk met de geest van de parlementaire geschiedenis vormt naar mijn mening niet een onoverkomelijk bezwaar. Bij de uitleg van de wet zijn niet alleen de opmerkingen in de parlementaire geschiedenis van belang, maar ook systematische en teleologische argumenten.5 De door mij voorgestelde uitleg maakt een systematische, consequente omlijning van artikel 6:212 mogelijk.
In deze uitleg is een verrijking (d.w.z. een inbreuk op een exclusieve rechtspositie) ongerechtvaardigd als een rechtvaardiging voor de inbreuk ontbreekt. Deze benadering doet recht aan de belangen van partijen in het rechtsverkeer, omdat het ontstaan van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ervoor zorgt dat inbreuken op exclusieve rechtsposities worden ontmoedigd. Tegelijkertijd wordt voorkomen dat toekenning van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking het handelsverkeer zou kunnen ontregelen doordat wordt voorkomen dat partijen risico’s die zij zelf hebben aanvaard, op anderen zouden kunnen afwentelen.