Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.5
4.4.5 Categorisering van verrijkingsfeiten in prestaties en inbreuken
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495123:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, par. 3.2.2.
Par. 3.4.7.
Zo ook in het kader van de onverschuldigde betaling: PG Boek 6, p. 804.
Hamaker 1971, p. 129. Linssen 2001, p. 471-472; PG Boek 6, p. 803. Hamaker betoogt dat de vordering uit onverschuldigde betaling (artikel 1395 OBW) daarom niet was gebaseerd op het verrijkingsbeginsel. Door Linssen en in de Toelichting Meijers wordt betoogd dat het feit dat de verkrijger niet met de volle omvang van de waarde van de zaak is verrijkt en de verarmde niet met de volle waarde van de zaak is verarmd, niet in de weg staat aan het ontstaan van een vordering ex artikel 6:203.
Zo ook: Schoordijk 1999, p. 15.
De ontvanger van de dienst zal niet altijd de dienst op haar marktwaarde waarderen. Dit is een reden waarom de ontvanger soms niet de volledige marktwaarde hoeft te vergoeden (zie par. 5.6.5). Dat neemt niet weg dat de ontvanger van de dienst een voordeel heeft verkregen.
Par. 4.3.2.
Naast wettelijke regelingen zijn er verder beginselen die toerekening van gevolgen van het handelen van anderen rechtvaardigen. Zo heeft de Hoge Raad aanvaard dat toerekening van verklaringen kan plaatsvinden op grond van het vertrouwensbeginsel dat ten grondslag ligt aan de artikelen 3:35, 3:36, 3:61 lid 2; HR 7 februari 1992, NJ 1992/809.
Toerekening van andere handelingen dan prestaties – namelijk het verrichten van inbreuken op exclusieve rechtsposities die onder (ii) worden besproken – kan eventueel plaatsvinden als de inbreuk in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van degene van een ander; zie HR 6 april 1979, NJ 1980/ 34 (Kleuterschool Babbel).
HR 2 februari 2001, NJ 2001/319 (Hulsman/Van der Graaf). Zie echter ook HR 15 maart 1996, NJ 1997/3 (Van der Tuuk Adriani/Batelaan) en daarover par. 4.7.
HR 9 december 1994, NJ 1996/136 (zwiepende tak).
In het bijzonder dient B aan te kunnen voeren (i) dat hij de verrijking niet subjectief waardeert en (ii) dat hij niet langer is verrijkt (zie par. 4.6).
Verrijkingsfeiten (of: gevallen waarin zich een vermogensverschuiving voordoet) kunnen worden gecategoriseerd. Het Duitse recht biedt hiervoor bruikbare inspiratie. Zoals bleek in hoofdstuk 3 maakt §812 van het Duitse Bürgerliches Gesetzbuch een onderscheid tussen (i) verrijkingen die ontstaan als gevolg van een prestatie en (ii) verrijkingen die een andere oorzaak hebben.1
In de Duitse rechtspraak en literatuur wordt een beperkte uitleg gegeven aan het begrip prestatie in §812. Prestaties worden alleen aangemerkt als prestaties in de zin van §812 als de presterende partij in diens verhouding tot een andere partij met de prestatie een bepaalde bedoeling nastreeft, zoals het nakomen van een schuld. In de categorie ‘verrijkingen met een andere oorzaak’ vallen onder meer verrijkingen die het gevolg zijn van prestaties die niet met een bepaalde bedoeling worden verricht. Een voorbeeld van een dergelijke prestatie is het opknappen van een huis door iemand die meent daarvan eigenaar te zijn. Als de eigenaar het huis voor eigen gebruik opknapt, streeft hij niet een bedoeling na jegens een ander. Naast verrijkingen die ontstaan door prestaties omvat deze categorie ook verrijkingen die ontstaan door inbreuken op exclusieve rechtsposities. Een voorbeeld van een dergelijke inbreuk is de situatie waarin een zaak van A wordt nagetrokken door een zaak van B. Het is in de Duitse rechtspraak en literatuur niet wenselijk gebleken dat in andere gevallen dan prestaties en inbreuken een vordering tot afdracht van een verrijking ontstaat.
Ik meen dat het onderscheid dat in de Duitse dogmatiek wordt gemaakt, niet onverkort dient te worden overgenomen in het Nederlandse recht. Zoals ik in hoofdstuk 3 heb betoogd, is het systematischer om te onderscheiden tussen (i) alle soorten prestaties, dat wil zeggen handelingen van de verrijkingsschuldeiser, ongeacht of deze met de prestatie een bedoeling nastreeft; en (ii) handelingen van de verrijkingsschuldenaar die een inbreuk vormen op exclusieve rechtsposities van de verrijkingsschuldeiser.2 Deze twee categorieën beslaan het hele verrijkingsrecht. Ik licht hieronder toe waarom prestaties en inbreuken een vermogensverschuiving tot gevolg hebben, terwijl andere feiten niet tot een vermogensverschuiving leiden.
(i) Prestaties
Een prestatie is een handeling van de ene partij (de verrijkingsschuldeiser) gericht jegens een andere partij (de verrijkingsschuldenaar).3 De ontvangst van een prestatie leidt tot een verrijking. De prestatie heeft een waarde, die in principe toekwam aan degene die de prestatie verricht. De prestatie leidt daarom tot een vermogensverschuiving. Ik bespreek de volgende prestaties: (a) levering van zaken; (b) betaling van een geldsom; (c) de verrichting van diensten en ten slotte (d) prestaties van derden.
(a) levering van zaken
Een vermogensverschuiving doet zich duidelijk voor bij de overdracht van zaken. Stel bijvoorbeeld dat A eigenaar is van een zaak. Hij draagt de zaak over aan B door de zaak te leveren op grond van een geldige titel. De levering is een prestatie waardoor B wordt verrijkt. De verrijking komt uit het vermogen van A, omdat (de waarde van) de zaak toebehoorde aan A.
Niet alleen de levering door een beschikkingsbevoegde op grond van een geldige titel, ook de levering door een beschikkingsonbevoegde of de levering op grond van een ongeldige titel is een vermogensverschuiving. Daaraan doet niet af dat de levering door een beschikkingsonbevoegde of een levering op grond van een ongeldige titel niet tot een eigendomsoverdracht leidt (artikel 3:84 lid 1). Voor gevallen waarin de verkrijger geen eigenaar is geworden, is door Hamaker, Linssen en in de Toelichting Meijers betoogd dat de verkrijger niet met de volle waarde van de zaak is verrijkt en degene die heeft geleverd niet met de volle waarde van de zaak is verarmd.4 Deze auteurs zijn daarom van mening dat bij leveringen die niet tot een eigendomsoverdracht hebben geleid zich geen vermogensverschuiving (verrijking van de schuldenaar ten koste van een andere partij) voordoet.
Ik ben het daarmee niet eens. Er kan weldegelijk gesproken worden van een vermogensverschuiving. Het begrip verrijking omvat naar mijn mening meer dan alleen de verkrijging van eigendom. Ook het gebruiken en het enkele houden van een zaak is een voordeel, waaraan niet afdoet dat dit voordeel wellicht niet kan worden begroot op de volle waarde van de zaak.5 Dit voordeel vloeit voort uit het vermogen van degene bij wie de zaak zich bevond. In de verhouding tussen degene die heeft geleverd en de verkrijger, heeft naar mijn mening te gelden dat dit voordeel toekwam (toekomt) aan degene die heeft geleverd (zie ook artikel 3:125).
Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Stel dat A een zaak levert aan B, terwijl hij niet beschikkingsbevoegd is. B wordt geen eigenaar van de zaak. Ook in dit geval vloeit de verrijking voort uit het vermogen van A, omdat B een voordeel (het gebruik of het houden van de zaak) geniet dat toekomt aan A. Dat is zelfs het geval als A niet een bezitter te goeder trouw was en de eigenaar van de zaak betere aanspraken op de zaak heeft dan A en B. In de verhouding tussen A en B heeft volgens mij te gelden dat het voordeel toekomt aan A. B kan daarom niet tegen A inbrengen dat A geen eigenaar is en daarom niet zou zijn verarmd.
(b) betaling van een geldsom
Ook de betaling van geld vormt een vermogensverschuiving. Als er met chartaal geld wordt betaald, worden zaken (munten en biljetten) geleverd, zodat hetgeen hierboven is gezegd over de levering van zaken van toepassing is. Als door middel van een girale betaling wordt betaald, wordt de rekening van de presterende partij gedebiteerd en de rekening van de ontvangende partij gecrediteerd, zodat – uiteindelijk en soms via het vermogen van de bank – uit het vermogen van de betalende partij een bedrag verschuift naar het vermogen van de ontvangende partij. In hoofdstuk 6 wordt de girale betaling nader geanalyseerd.
(c) diensten
Verder resulteren diensten in vermogensverschuivingen. Het ontvangen van een dienst vormt het genieten van een voordeel. De dienst heeft in het handelsverkeer immers een waarde.6 Deze waarde vloeit voort uit het vermogen van de presterende partij, omdat deze partij om de dienst te verrichten tijd, energie en andere middelen aanwendt, die een zekere marktwaarde hebben. Dat diensten resulteren in vermogensverschuivingen kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld. Stel dat schilder A in opdracht van B diens huis in de verf zet. A hoeft daarvoor geen eigen materialen te gebruiken. A zou zonder deze opdracht wegens een algemene malaise in de bouwsector thuis op de bank hebben gezeten. Hij zou dan geen inkomsten hebben genoten. Toch komt de verrijking van B uit zijn vermogen, omdat de middelen die A aanwendt (zijn expertise en zijn tijd) een marktwaarde hebben.
(d) handelingen van derden
Ten slotte kunnen onder omstandigheden handelingen van derden vermogensverschuivingen tot gevolg hebben.
Echter, het enkele feit dat een derde een handeling verricht die een voordeel en een nadeel tot gevolg heeft, is volgens mij niet voldoende om een relevante rechtsverhouding tussen de verrijkte en verarmde te creëren. Wij zagen dit eerder in het voorbeeld van de overheid die een weg verlegt zodat het perceel van A niet langer bereikbaar is, terwijl het perceel van B plotseling wel bereikbaar is. Het perceel van A daalt daardoor in waarde, terwijl het perceel van B in waarde stijgt. A kan geen afdracht vorderen van de verrijking van B, omdat er geen relevant verband bestaat tussen de verrijking van B en de verarming van A.7
Dat de enkele handeling van een derde niet een voldoende verband creëert tussen een verrijking en een verarming, volgt uit wat volgens mij een fundamenteel uitgangspunt van het privaatrecht is; namelijk dat een rechtsverhouding tussen twee partijen niet ontstaat door de enkele handeling van een derde. Dit uitgangspunt komt veelvuldig in het privaatrecht tot uitdrukking. Zo wordt een achterman niet gebonden door handelingen van een onbevoegde vertegenwoordiger. En een onrechtmatige daad van A jegens B doet geen aansprakelijkheid van C jegens B ontstaan.
Uiteraard bestaan uitzonderingen op het uitgangspunt dat een rechtsverhouding tussen twee partijen niet ontstaat door handelingen van een derde. Soms worden aan een partij de (gevolgen van) handelingen van een derde partij toegerekend. In die gevallen is sprake van bijzondere omstandigheden die de toerekening rechtvaardigen. Een voorbeeld is het geval waarin een gevolmachtigde binnen de hem verleende bevoegdheid in naam van de achterman rechtshandelingen verricht (artikel 3:66). De achterman is dan gebonden aan deze rechtshandelingen. Ook een onbevoegde vertegenwoordiger kan de vertegenwoordigde binden als de vertegenwoordigde handelingen heeft verricht die de schijn in het leven hebben geroepen dat een toereikende volmacht bestaat (artikel 3:61 lid 2).8
Waarom zijn het besproken uitgangspunt en de uitzonderingen daarop van belang? Ik meen dat ook handelingen van derden die een verrijking tot gevolg hebben, soms kunnen worden toegerekend en zo een relevante rechtsverhouding tussen de verarmde en de verrijkte creëren. Een voorbeeld van een dergelijke toerekenbare handeling van een derde is een prestatie van A aan C op grond van een opdracht van A’s schuldeiser B. De opdracht van B rechtvaardigt dat de verrichting van de prestatie van A aan hem wordt toegerekend.
Toerekening van de verrichting en ontvangst van prestaties van derden ligt op het terrein van de vordering uit onverschuldigde betaling. Dit staat centraal in hoofdstuk 5. Daar onderzoek ik wanneer een handeling van een derde kan worden toegerekend aan degene die stelt verarmd te zijn en daarom een vordering instelt, of aan de verrijkte tegen wie een vordering wordt ingesteld.9
(ii) Inbreuken op exclusieve rechtsposities
Inbreuken zijn (1) handelingen van de verrijkingsschuldenaar en (2) inbreukmakende toestanden. Waarom is een inbreuk een verrijking ten koste van een ander, en wat is een inbreuk precies?
(1) handelingen van de verrijkingsschuldenaar
Een handeling van de schuldenaar vormt een voordeel dat hij ten koste van de schuldeiser geniet als de handeling is voorbehouden aan de schuldeiser. Zoals Linssen heeft betoogd, is een handeling voorbehouden aan de schuldeiser als dit volgt uit een rechtspositie waarvan de schuldeiser rechthebbende is. Voorbeelden van dergelijke posities zijn het eigendomsrecht op zaken (zie artikel 5:1), exclusiviteitscontracten zoals exclusieve licenties, persoonlijkheidsrechten en de gerechtigdheid tot vorderingen. Alleen de rechthebbende tot deze rechtsposities is bevoegd te beschikken over deze rechtsposities en alleen hij is gerechtigd tot het gebruik, het genot en de exploitatie van de voordelen die liggen besloten in de rechtspositie. Als een ander deze handelingen verricht, maakt deze inbreuk op de rechtspositie.
Alleen als de handeling in de rechtsbetrekking tussen de schuldeiser en schuldenaar exclusief door de schuldeiser mag worden verricht, kan worden gezegd dat het verrichten van de onbevoegde handeling door de schuldenaar een voordeel vormt dat voortvloeit uit het vermogen van de schuldeiser. (Daarbij is niet van belang of het de schuldenaar kan worden verweten dat hij de handeling zonder toestemming heeft verricht, of dat het verrichten van de handeling hem om andere redenen kan worden toegerekend.)
In andere gevallen waarin de verrijkte een handeling verricht waardoor hij een voordeel geniet en een ander een nadeel geniet, is sprake van een van de twee volgende situaties: (a) de verrijkte mag zijn handeling verrichten zonder toestemming van de verarmde; of (b) de verrijkte verricht jegens de verarmde een onrechtmatige daad. Er doen zich in deze situaties geen vermogensverschuivingen voor.
(a) geen vermogensverschuiving als de verrijkte geen toestemming behoeft
Als de verrijkte de handeling zonder toestemming van een ander mag verrichten, valt niet in te zien waarom de ander aanspraak zou kunnen maken op de voordelen die liggen besloten in de handeling. Dan kan de handelende persoon weliswaar voordelen hebben genoten door de handeling, maar kan niet gezegd worden dat hij is verrijkt ten koste van een ander in de zin van artikel 6:212. Stel bijvoorbeeld dat ondernemer A als enige een bepaalde markt bedient. Het staat B vrij om te concurreren met A.10 Als B dat succesvol doet, wordt B rijker en wordt A armer. Van een vermogensverschuiving is evenwel geen sprake.
(b) geen vermogensverschuiving bij onrechtmatige daad zonder een inbreuk
Wat geldt als de schuldenaar een onrechtmatige daad pleegt zonder inbreuk te maken op een exclusieve rechtspositie? In een dergelijk geval is sprake van gevaarzettend handelen of handelen in strijd met de wet. Het handelen van de schuldenaar kan weliswaar leiden tot een vermeerdering van zijn vermogen en tot een vermindering van het vermogen van de schuldeiser, maar niet kan worden gezegd dat de verrijking voortvloeit uit het vermogen van de schuldeiser. Stel dat B een onrechtmatige daad pleegt jegens A, en dat B daardoor een voordeel geniet en A schade lijdt. De omvang van het vermogen van B neemt dan toe en de omvang van het vermogen van A neemt af. Toch betekent het onrechtmatig genieten van het voordeel – als niet tevens sprake is van een inbreuk op een exclusieve rechtspositie – niet automatisch dat het vermogen van een ander wordt geraakt. Het onrechtmatig handelen roept slechts het risico in het leven dat het vermogen van een ander nadelig wordt geraakt. Een extra feit is dan nodig voor het ontstaan van schade.
Een voorbeeld illustreert dit. Stel dat B graafwerkzaamheden uitvoert. B heeft aanwijzingen dat elektriciteitskabels in de grond verborgen liggen. Hij laat echter na om onderzoek te doen of kabels in de grond aanwezig zijn, omdat hij dergelijk onderzoek niet rendabel acht. B bespaart daarmee kosten. Volgens het leerstuk van de gevaarzetting is het handelen van B jegens A onrechtmatig als B de kans heeft vergroot dat hij kabels beschadigt waardoor A schade kan leiden, terwijl B naar maatstaven van zorgvuldigheid behoort na te laten deze kans te vergroten.11 Dit leerstuk brengt met zich dat het handelen van B als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Stel verder dat vervolgens het gevaar zich verwezenlijkt: B beschadigt bij zijn graafwerkzaamheden een elektriciteitskabel die eigendom is van een elektriciteitsmaatschappij. De stroomvoorziening naar A wordt onderbroken, waardoor A economische schade lijdt. Is sprake van een ongerechtvaardigde verrijking van B ten koste van A? Ik meen van niet. Weliswaar geniet B een voordeel doordat hij zich kosten heeft bespaard en heeft A schade geleden. Echter, het voordeel van B vloeit niet voort uit het vermogen van A. B geniet immers een voordeel door na te laten om onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van kabels, welk nalaten niet perse het vermogen van A hoeft te raken. A’s vermogen wordt slechts geraakt doordat het risico dat B op onrechtmatige wijze in het leven roept, zich vervolgens verwezenlijkt. In dat geval heeft A een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad.
(2) inbreukmakende toestanden
Een inbreuk kan zich ook voordoen in gevallen waarin de verrijkte geen handelingen heeft verricht, terwijl sprake is van een toestand die niet hoeft te worden geduld. Een voorbeeld illustreert dit. Stel dat een zak zaad dat eigendom is van A, op A’s land staat. Het zaad waait uit over het land van B. In feite is sprake van een ‘inbreukmakende toestand’.
Naar mijn mening dient A een vordering op B te hebben, zij het dat B ook dient te beschikken over verweermiddelen die voorkomen dat hem een uitgave wordt opgedrongen.12