Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.3.3.1
2.3.3.1 De Wet ruimtelijke ordening (Wro)
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701943:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2006, 566.
Ook de wetgever ziet de planschaderegeling als de belangrijkste regeling op het gebied van nadeelcompensatie: Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 18.
Het is voor benadeelden zaak om de door hen geleden schadeposten juridisch te ‘vertalen’ naar een inkomensderving of waardevermindering. Zo is de schadepost ‘verlies van privacy’ door het verrijzen van een woontoren op zichzelf niet vergoedbaar. Een verlies van privacy leidt onder omstandigheden echter wel degelijk tot een waardevermindering van de onroerende zaak (zie bijvoorbeeld: Rb. Midden-Nederland 18 juli 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3707).
Zie uitgebreid over de planschaderegeling van afdeling 6.1 Wro: Van Heijst 2017, i.h.b. de hoofdstukken 4 t/m 6; Van Zundert, in: Ruimtelijk Bestuursrecht, art. 6.1 Wro (online, bijgewerkt 2 augustus 2021); Van Buuren, Nijmeijer & Robbe 2017, hoofdstuk 10. Ook zeer gedetailleerd is de overzichtsuitspraak planschade: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, AB 2016/399.
Van Buuren, Nijmeijer & Robbe 2017, p. 255.
ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9963.
Dé formele wet op het gebied van nadeelcompensatie die voor dit onderzoek relevant is, is de Wet ruimtelijke ordening (Wro).1 Daarin is de bekendste en belangrijkste nadeelcompensatieregeling vervat – de regeling voor de tegemoetkoming in planschade.2
Art. 6.1 lid 1 Wro bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders op aanvraag een tegemoetkoming toekent aan degene die is benadeeld door een van de in het tweede lid limitatief en exclusief opgesomde schadeoorzaken, tenzij de schade voldoende anderszins verzekerd is of de schade voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. De schadeposten die voor vergoeding in aanmerking komen, heeft de wetgever gelimiteerd tot twee. Enkel schade in de vorm van een waardevermindering van een onroerende zaak of schade in de vorm van een inkomensderving zijn juridisch vergoedbaar.3
Een belangrijk onderscheid is het onderscheid tussen directe en indirecte planschade. Van directe planschade is sprake wanneer een planologische wijziging de juridische gebruiksmogelijkheden van het eigen perceel beperkt. Van indirecte planschade is sprake wanneer een planologische wijziging ongunstige ontwikkelingen in de nabije omgeving mogelijk maakt. Of een aanvrager in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en als gevolg daarvan schade lijdt, wordt bepaald aan de hand van een maximale planvergelijking. Dat is een vergelijking tussen de maximaal juridische mogelijkheden vóór en de maximaal juridische mogelijkheden ná de inwerkingtreding van de planologische mutatie. De feitelijke situatie is met andere woorden van ondergeschikt belang, het gaat om hetgeen maximaal planologisch mogelijk is op grond van opvolgende rechtsregimes. Uit het slot van art. 6.1 lid 1 Wro volgt tenslotte nog een belangrijke beperking aan de vergoedbaarheid van planschade. Schade die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager behoort te blijven of voldoende anderszins is verzekerd, komt namelijk niet voor vergoeding in aanmerking. Deze slotformule – die voor een groot deel nader is uitgewerkt in de artikelen 6.2 en 6.3 Wro – zorgt in de praktijk voor een aanzienlijke beperking van de vergoedbaarheid van planschadeclaims. 4
Art. 6.2 lid 1 Wro schrijft voor dat schade die binnen het normale maatschappelijke risico valt voor rekening van de aanvrager dient te blijven. Het uitgangspunt is immers dat eenieder die zich in Nederland bevindt in bepaalde mate met de nadelige gevolgen van overheidshandelen geconfronteerd kan worden – zulks behoort tot het normale risico voor iedere burger of bedrijf.5 De toepassing van dit leerstuk is niet eenvoudig. Daarom is in het tweede lid van art. 6.2 Wro een forfaitaire bepaling toegevoegd die voor veel gevallen een minimale invulling geeft aan het normale maatschappelijke risico. Voor schade die tot uitdrukking komt in een inkomensderving blijft, krachtens art. 6.2 lid 2 onder a Wro, ten minste twee procent van het inkomen onmiddellijk voorafgaande aan het ontstaan van de schade voor rekening van de aanvrager. Voor schade die tot uitdrukking komt in een waardevermindering van een onroerende zaak blijft ook minimaal twee procent van de waarde van de zaak onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de schade voor rekening van de aanvrager – mits het gaat om indirecte planschade (art. 6.2 lid 2 onder b Wro). Voor directe planschade die zich manifesteert in een waardevermindering van een onroerende zaak geldt dus geen minimumforfait.
Art. 6.3 aanhef en onder a Wro schrijft voor dat het college in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak (en dus niet de voorzienbaarheid van de schade!) in de planschadebeoordeling moet betrekken. Indien de schadeoorzaak voor de aanvrager voorzienbaar was en deze desalniettemin het risico op het intreden van de schade heeft aanvaard, blijft de schade voor rekening van de aanvrager. Bij de beoordeling van de voorzienbaarheid moet een verschil worden gemaakt tussen actieve en passieve risicoaanvaarding. Voor de praktijk is de actieve risicoaanvaarding veruit de belangrijkste vorm van voorzienbaarheid. Als een aanvrager ten tijde van de investeringsbeslissing – bijvoorbeeld de aankoop van een woning – uit een concreet en openbaargemaakt beleidsvoornemen (zoals bijvoorbeeld een gemeentelijke structuurvisie) kon afleiden dat hij rekening moest houden met een mogelijk planologisch nadelige mutatie, blijft de schade voor diens rekening. De maatstraf is die van een ‘redelijk denkend en handelend koper’. Wat zou een ‘redelijk denkend en handelend koper’ onder dezelfde omstandigheden geweten en gedaan hebben? 6Anders dan bij actieve risicoaanvaarding had de aanvrager bij passieve risicoaanvaarding juist wél moeten handelen, maar heeft deze dat niet gedaan. Van passieve risicoaanvaarding is sprake wanneer een aanvrager niet van de bestaande gebruiksmogelijkheden gebruik maakt, terwijl hij weet (of kon weten) dat er voornemens bestonden om de gebruiksmogelijkheden in planologisch nadelige zin te wijzigen. De maatman is dezelfde als bij actieve risicoaanvaarding. Het idee achter de voorzienbaarheid is duidelijk; degene die handelt of stilzit terwijl hij op basis van concrete aanwijzingen het tegenovergestelde had moeten doen, heeft de schade (mede) aan zichzelf te wijten.
Het voorgaande betreft de materiële regels van het planschaderecht. Over die materiële regels dienen de schadedeskundigen te adviseren. Over de procedurele regels rept de Wro echter nauwelijks.7 Daarvoor moet te raden worden gegaan in het Bro.