Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.5.2.2:6.5.5.2.2 Toezicht en vervolging in een hand; J.B.
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.5.2.2
6.5.5.2.2 Toezicht en vervolging in een hand; J.B.
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493458:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken), § 47.
§ 57-60.
§ 66-71.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak J.B. is sprake van dwang door de Zwitserse belastingautoriteiten om documenten te verkrijgen nadat de klager was beschuldigd van belastingfraude. Een van de geschilpunten was voor welk doel de informatie werd afgedwongen. Omdat de heffingsprocedure (‘regular tax proceedings’) en de sanctieprocedure (‘criminal tax-evasion proceedings’) in het (toenmalige) Zwitserse systeem procedureel niet van elkaar waren gescheiden, was die procedure niet eenduidig administratief of bestraffend van aard.1 Klager werd meermaals bestraft voor het niet verstrekken van de gevorderde informatie. De autoriteiten zouden volgens hem op zoek zijn geweest naar nog niet aangegeven inkomen en vermogen (hij had toegegeven dat hij zijn inkomsten niet juist en volledig had opgegeven) en dat de te verwachten bestraffing wegens fraude daarvan afhankelijk was.
Volgens de Zwitserse regering strekten de informatieverzoeken echter vooral ertoe om de herkomst van het door klager geïnvesteerde vermogen vast te stellen. In het bijzonder het bedrag aan belastbare bestanddelen dat hij niet had opgegeven. De aan J.B. opgelegde boetes waren erop gericht hem te dwingen de gevorderde informatie alsnog te verstrekken. Anders dan in Funke hadden de Zwitserse autoriteiten volgens de regering geen andere keuze: zij hadden geen doorzoekings- of inbeslagnemingsbevoegdheid en konden ook geen getuigen horen of bewaring gelasten. Bovendien maakte het bankgeheim het voor de belastingautoriteiten onmogelijk om de verlangde informatie van derden te verkrijgen. Wanneer het Hof het Zwitserse systeem van niet-gescheiden ‘regular tax proceedings’ en ‘criminal tax-evasion proceedings’ zou afwijzen, dan zou daarmee het doel van de mensenrechten niet zijn gediend. De wetgever zou dan een vlucht moeten nemen in bevoegdheden die gewoonlijk zijn voorbehouden aan opsporingsautoriteiten.2
Volgens het Hof probeerden de Zwitserse autoriteiten om klager te dwingen om documenten te verstrekken (mijns inziens niet: op te stellen) die fiscaal relevante informatie bevatten. J.B. kon niet uitsluiten dat hij zou worden beschuldigd van belastingfraude, wanneer uit die documenten zou blijken dat hij niet opgegeven inkomen had genoten. Het Hof is niet ervan overtuigd, zoals de Zwitserse regering stelde, dat de klager niet werd gedwongen zichzelf te belasten omdat de van hem verlangde informatie al bekend zou zijn. Dit gelet op de volhardendheid waarmee de Zwitserse autoriteiten de informatie van hem trachtten te verkrijgen (tot acht keer toe, met oplegging van vier boetes). Het concludeert mede hierom tot schending van art. 6 EVRM.3
Deze overwegingen zijn aanleiding te veronderstellen dat wanneer de onderzoeksautoriteiten die de medewerking vorderen, beschikken over toezichts- en sanctiebevoegdheden en het doel van de gevorderde informatie niet eenduidig is, die medewerking (mede) wordt gevorderd in de context van een strafprocedure. Tenzij die medewerking niet (mede) voor het bewijs van de criminal charge kan worden gebruikt. Dat de afgedwongen medewerking vooral of mede toezichtsdoeleinden zou dienen, lijkt daarbij niet van belang. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat wanneer toezichts- en sanctiebevoegdheden cumuleren, een zinvol onderscheid tussen het doel waarvoor de medewerking wordt gevorderd enerzijds en het eventueel belastende gebruik daarvan anderzijds, niet werkelijk kan worden gemaakt. Het gaat tenslotte om dezelfde feiten. Het onderscheid tussen controle- en opsporingsbelang is een praktisch niet-werkbaar criterium. De eventuele doelen van een vraag zijn nu eenmaal moeilijk op een weegschaal te leggen.