Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.5.2.3
6.5.5.2.3 Gescheiden toezicht en vervolging; Shannon
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492299:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk).
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 36.
Duidelijk zal zijn dat deze benadering sterk verwant is met de benadering van het Hof in EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge).
EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 39-41.
Deze zienswijze klinkt niet of minder sterk door in EHRM 19 september 2000 (I.J.L. e.a. t. Verenigd Koninkrijk). Zij ligt niettemin voor de hand, omdat de nationale autoriteiten anders eenvoudig het zwijgrecht door een splitsing van onderzoeksorganen kunnen ontgaan.
Anders Muller 2008, p. 57. Schrijver meent dat het EHRM belang hecht aan het kenbare oogmerk van de vragen die worden gesteld. Hij leidt uit de zaken J.B. en Shannon af, dat als niet precies kenbaar is of de gevraagde informatie voor de heffing of bestraffing zal worden gebruikt, er geen dwang mag worden gebruikt. Daarbij verwijst hij naar de conclusie van A-G Wattel voor HR 21 maart 2008,BNB 2008/159 (m.nt. Albert), pt. 4.16, en de noot van Zwemmer onder HR 27 februari 2004,BNB 2004/225.
Uit de Straatsburgse rechtspraak volgt niet wat de situatie is, wanneer strafvorderlijke onderzoeksbevoegdheden uitsluitend voor toezichtsdoeleinden worden ingezet. Dat ook dan sprake is van dwang tot zelfbelasting in een strafcontext, ligt vanwege de ‘substantive’ benadering van het Hof niet voor de hand (tenzij de gevorderde informatie de betrokkene kan belasten).
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas).
§ 71.
Vgl. Blomberg 2005, p. 413.
In de zaak Shannon waren de toezichts- en sanctiebevoegdheden niet in een hand.1 De Engelse financieel onderzoekers hadden de klager uitgenodigd voor een vraaggesprek over voordelen uit misdrijf verkregen. Dit terwijl hij naar aanleiding van een eerder vraaggesprek met dezelfde autoriteiten al was beschuldigd van het voeren van een valse boekhouding en fraude. Het niet bijwonen van het vraaggesprek was strafbaar.
Wanneer de verplichting om het vraaggesprek bij te wonen, was opgelegd aan een persoon tegen wie geen verdenking zou bestaan en evenmin een voornemen van vervolging, dan zou het gebruik van dwangmiddelen volgens het EHRM niet in strijd met het recht tegen gedwongen zelfbelasting komen. De klager liep echter niet alleen het risico dat hij zou worden vervolgd voor feiten die werden onderzocht door de financieel onderzoekers. Hij was al beschuldigd van een strafbaar feit dat uit dezelfde inval voortkwam. In deze omstandigheden zou het deelnemen aan het vraaggesprek volgens het Hof een zeer reële kans inhouden dat hij verplicht werd om opheldering te verschaffen over kwesties die vervolgens zouden opkomen in de strafprocedure betreffende de tegenover hem geuite beschuldiging.2 Wanneer Shannon had meegewerkt aan het onderzoek, dan zou het de financieel onderzoekers hebben vrijgestaan de afgelegde verklaringen aan de politie door te geven. Hieraan doet niet af dat sprake was van gescheiden onderzoeken van de financieel onderzoekers enerzijds en de politie anderzijds.3 Of de onderzoekers klager voor het gesprek hadden uitgenodigd met het doel om belastend bewijs te verkrijgen, laat het Hof in zijn uitspraak het midden. Mogelijk omdat daarvoor onvoldoende aanwijzingen zijn.4
De zaak Shannon maakt duidelijk dat ook wanneer toezichts- en vervolgingsbevoegdheden cumuleren, er sprake is van een materiële benadering. Wanneer toezichthoudende autoriteiten mogelijk belastende medewerking van een ‘person charged’ afdwingen, dan weigert het Hof de verschillende handhavingssferen los van elkaar te zien. Het houdt er althans rekening mee dat de medewerking die door toezichthoudende autoriteiten op grond van een wettelijke meewerkplicht wordt afgedwongen, kan worden doorgespeeld aan de vervolgende autoriteiten en zo (als bewijs) in het strafproces belandt.5 De enkele (niet-theoretische) mogelijkheid dat die medewerking (verklaringen, materiaal) op belastende wijze tegen de verdachte wordt/kan worden gebruikt, is voldoende om aan te nemen dat sprake is van gedwongen zelfbelasting in de context van een strafprocedure.6 Uit de zaken J.B. en Shannon volgt zodoende dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting een ruim toepassingsbereik heeft, dat de verschillende handhavingssferen overstijgt.7
Dit laatste wordt bevestigd in het latere arrest in de zaak Marttinen.8 Nadat de klager in een faillissementsprocedure had geweigerd inzicht te geven in zijn vermogenspositie, werd een strafrechtelijk onderzoek wegens mogelijke fraude gestart. Ook daaraan weigerde hij mee te werken. Als gevolg daarvan werd hem in een gescheiden (bestuurlijke) verhaalsprocedure opgedragen om alsnog de verlangde informatie te verstrekken. Toen hij dit opnieuw weigerde, werd hem een bestuurlijke boete opgelegd. Omdat het strafrechtelijk vooronderzoek en de verhaalsprocedure dezelfde feiten betroffen ‘the applicant could not rule out that, if it transpired from his declaration that he had assets which had not been declared in the previous enforcement inquiries and bankruptcy proceedings, he might be charged with the offence of debtor’s fraud’. Daarbij verwijst het Hof naar J.B.9 Uitgaande van een criminal charge is het kennelijk zo dat wanneer het doel van de vordering tot medewerking niet eenduidig punitief van aard is, het Hof nagaat of de gevorderde medewerking (toch) kan bijdragen aan het bewijs voor die ‘charge’.
Vóór het ‘charge’-moment speelt het doel-criterium geen rol
Ik merk op dat, als er nog geen criminal charge is, aan deze laatste beoordeling respectievelijk het doel-criterium niet wordt toegekomen. De betrokkene moet dan meewerken (vgl. een uitnodiging tot het doen van belastingaangifte of het beantwoorden van een vragenbrief van de Belastingdienst) en hij kan ‘gewoon’ worden bestraft vanwege de weigering om dat te doen. De bestraffing ziet dan alleen op het informatieverzuim zelf.
Anders gezegd, enkel voor de ‘determination of a criminal charge’ zet het zwijgrecht de verplichting om tegenover autoriteiten te verklaren opzij; meewerkverplichtingen in het kader van de niet-strafachtige wetstoepassing (zoals het opleggen van een belastingaanslag), raken niet aan het zwijgrecht.10 Na de criminal charge kan de betrokkene zich voor wat betreft het punitief gebruik ervan echter wel beroepen op het bewijsverbod. Dat verbod staat in het volgende hoofdstuk centraal.