Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.4.2
3.4.2 Aansprakelijkheid wegens het overtreden van Section 5 Securities Act op grond van Section 12(a)(1) Securities Act
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655822:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over Section 12(a)(1) Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1749-1751 en p. 1781-1782. Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds Nederveen 2006, p. 103-105.
Zie Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2[1][A]. Zie ook Nederveen 2006, p. 103-104.
Het tijdig overleggen van een prospectus dat niet voldoet aan de wettelijke vereisten schaar ik ook onder deze categorie.
Pinter v. Dahl, 486 U.S. 622, 650-654 (1988). Zie over deze uitspraak Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2[2] en § 7.7; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1772-1779.
Zie in dit verband onder meer de uitspraken Ackerman v. Schwartz, 947 F.2d 841, 844-845 (7th Cir. 1991); Moore v. Kayport Package Exp., Inc., 885 F.2d 531, 537 (9th Cir. 1989).
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2[2]. Zie in dit verband ook de uitspraak Craftmatic Securities Litigation v. Kraftsow, 890 F.2d 628, 636 (3d Cir. 1989).
Zie Pinter v. Dahl, 486 U.S. 622, 647 (1988).
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2[1][C]; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1781-1782. Zie over deze remedie in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 93; Nederveen 2006, p. 137-138.
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2[1][C]; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1781-1782.
Zie voor deze maatstaf de uitspraak Randall v. Loftsgaarden, 478 U. S. 647, 659-660 (1986). De grondslag van aansprakelijkheid was in deze zaak overigens gelegen in Section 12(a)(2) en niet in Section 12(a)(1).
Vanwege het beschermende karakter van de bepaling was dit een welbewuste keuze van de Amerikaanse wetgever. Zie hierover Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.2[1][E].
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.5[2][C]; Loss, Seligman & Paredes 2018, p. 1781-1782.
Op grond van Section 12(a)(1) Securities Act is iedere persoon die effecten heeft aangeboden, verkocht en/of geleverd terwijl daarbij niet is voldaan aan Section 5 Securities Act, aansprakelijk jegens de koper van deze effecten.1 Van het overtreden van Section 5 kan onder meer sprake zijn wanneer:2
effecten zijn verkocht terwijl nog geen registration statement van kracht was verklaard;
niet of niet tijdig een prospectus is overgelegd dat voldoet aan de wettelijke vereisten;3
in de periode voorafgaand aan het deponeren van de registration statement de effecten reeds zijn aangeboden.
Voor aansprakelijkheid op grond van Section 12(a)(1) geldt daarnaast het zogenoemde vereiste van ‘privity’. Dit houdt in dat een vordering uit hoofde van Section 12(a)(1) in beginsel alleen kan worden ingesteld tegen de persoon of rechtspersoon van wie de belegger de effecten (direct) heeft gekocht. In de uitspraak Pinter v. Dahl oordeelde de Supreme Court in dit verband – kort gezegd – dat alleen degene die in de litigieuze transactie is opgetreden als onmiddellijke en directe verkoper kan worden beschouwd als ‘seller’ in de zin van Section 12(a). Dus alleen deze persoon kan op grond van Section 12(a)(1) aansprakelijk worden gesteld.4 Degene die slechts deelnam aan het opstellen van de registration statement en/of het prospectus kan volgens deze interpretatie niet als ‘seller’ worden gekwalificeerd en kan derhalve niet uit dien hoofde aansprakelijk zijn.5 Zelfs degene die substantiële betrokkenheid had bij het samenstellen van de registration statement en het prospectus, kan niet op grond van Section 12(a)(1) aansprakelijk worden gesteld.6 Dit laatste is alleen anders als deze partij tevens betrokken was bij de onderhandelingen die uiteindelijk resulteerden in de aankoop van de litigieuze effecten door de belegger en deze partij daarbij werd gemotiveerd door persoonlijke financiële belangen.7
De remedie bij aansprakelijkheid op grond van Section 12(a)(1) is ontbinding (‘rescission’) van de litigieuze transactie wanneer de belegger op de datum uitspraak zijn effecten nog niet heeft verkocht.8 Met ontbinding wordt hier bedoeld dat de belegger onder aanbieding (‘tender’) van de litigieuze effecten de door hem betaalde koopprijs (verminderd met eventueel ontvangen uitkeringen) krijgt gerestitueerd. Heeft de belegger zijn effecten inmiddels wel verkocht, dan heeft hij recht op schadevergoeding ten bedrage van de koopprijs verminderd met de verkoopprijs (en eventueel ontvangen uitkeringen).9 In dit verband wordt ook wel gesproken van een zogenoemde ‘rescissory measure of damages’.10 De remedie van Section 12(a)(1) kent uitdrukkelijk geen causaliteitseis.11 Dit betekent dat ook beleggingsverlies dat weliswaar in csqn-verband staat met de misleiding, maar dat niet direct op de misleidende informatie is terug te voeren en dat – in plaats daarvan – moet worden toegeschreven aan (de verwezenlijking van) algemene beleggingsrisico’s, voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast kan de benadeelde belegger ook nog de zogenoemde ‘prejudgment interest’ (vergelijkbaar met onze wettelijke rente) vorderen.12 Het is echter niet gegarandeerd dat deze ook daadwerkelijk wordt toegekend. De rechter heeft in deze een discretionaire bevoegdheid.