Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.3.2.1
4.2.3.2.1 Eigendomsoverdracht tot zekerheid
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291512:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Onder het oud-BW heeft de Hoge Raad de overdracht van een goed door een debiteur tot zekerheid voor de betaling van zijn schuld aan zijn crediteur (de zogenoemde ‘fiducia cum creditore’) aanvaard als een geldige titel voor de eigendomsoverdracht (zie o.a. HR 25 januari 1929, NJ 1929, 616, m.nt. Scholten (Bos/Heineken Bierbrouwerij)). Tot 1 januari 1992 was in art. 3 lid 6 Wet OB uitdrukkelijk opgenomen dat de eigendomsoverdracht tot zekerheid en de terugoverdracht geen leveringen zijn voor de btw. Sinds de inwerkingtreding van het huidige BW op 1 januari 1992 wordt een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid in Nederland niet meer erkend als een geldige titel voor overdracht (art. 3:84 lid 3 BW). Om die reden is art. 3 lid 6 Wet OB met ingang van 1 januari 1992 geschrapt (artikel XXIII van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (negende gedeelte), Stb. 1992, 286).
Bijlage III bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 18 januari 1967, nr. R/32/67 (ECO 1).
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 435.
Voor de eerste en oudste verklaring moeten we naar de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Tweede Richtlijn. Hieruit blijkt dat de lidstaten eensluidend van mening waren dat de overdracht van een goed (lees: de eigendomsoverdracht) als onderpand, de zogenoemde ‘Sicherungsübereignung’, ‘fiduciaire eigendomsoverdracht’ of ‘eigendomsoverdracht tot zekerheid’1, niet moet worden beschouwd als een levering in de zin van art. 5 lid 1 Tweede Richtlijn.2 Van Velten wijst erop dat de eigendomsoverdracht tot zekerheid aan de wieg heeft gestaan van het onderscheid tussen de juridische en economische eigendom. Het Duitse Reichsgericht heeft in 1899 namelijk geoordeeld dat een zaak ‘dem Fiduciair zwar formell und juristisch, aber nicht materiell und wirtschaftlich’ toebehoort.3 Met de keuze voor een materieel leveringsbegrip, de overdracht van de beschikkingsmacht over een goed, is beoogd te voorkomen dat een eigendomsoverdracht tot zekerheid kwalificeert als een levering voor de btw.