Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.9.3
7.9.3 Kan de analyst-added premium aan de vennootschap worden toegerekend?
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wederom wijs ik erop dat wanneer de uitkomst van het toerekeningsoordeel is dat de analyst-added premium niet aan de vennootschap kan worden toegerekend (en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt), deze uitkomst ook kan worden bereikt via de eigenschuldcorrectie ex art. 6:101 BW.
In dit scenario is de toerekeningsvraag uiteraard alleen relevant voor de beleggers die hun aandeel hebben gekocht na het moment waarop de analyst-added premium is ontstaan. De vraag is niet van belang voor de beleggers die hun aandeel voordien hebben gekocht. De door hen betaalde prijs omvatte immers nog geen premium.
Zie over de toerekeningsfactor verwijderdheid van de schade § 1.3.3.5 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Over het al dan niet toerekenen van de analyst-added premium in het eerstgenoemde scenario kan ik kort zijn. Analytisch gezien is dit scenario namelijk nagenoeg gelijk aan het in § 7.8.4 besproken scenario (zonder de misleiding zou de zeepbel eerder uit elkaar zou zijn gespat). Het enige relevante verschil tussen beide scenario’s is dat bij een zeepbel niet alleen het onzuivere gedeelte van de koers (de eigenlijke koersinflatie) in omvang toeneemt, maar dat tevens het zuivere gedeelte van de koers (het deel dat niet is beïnvloed door de misleiding) in omvang toeneemt. Dat is bij het analyst-added premium-effect niet het geval. Bij dit effect is slechts sprake van een opslag bovenop de koersinflatie. Omdat beide scenario’s – analytisch gezien – dus nagenoeg overeenkomen, is hetgeen ik in § 7.8.4 heb opgemerkt over de (onderlinge afweging van de) verschillende toerekeningsfactoren in het onderhavige geval van overeenkomstige toepassing. Daarom kan ik hier volstaan met de opmerking dat het al dan niet toerekenen van het premium-effect, zal afhangen van het antwoord op de vraag of de vennootschap heeft kunnen voorzien dat de misleiding tot gevolg zou hebben dat het effect langer zou voortduren.1 Hierbij geldt wederom dat wanneer (kan worden vastgesteld dat) de vennootschap (welbewust) van de door de premium veroorzaakte overwaardering heeft kunnen profiteren, dit een voor het toerekeningsoordeel relevante omstandigheid is.
Ook in het scenario waarin de analyst-added premium zich tijdens het tijdvak van de misleiding heeft gevormd, zal het al dan niet toerekenen van het premium-effect ervan afhangen of de vennootschap het (ontstaan van het) premium-effect heeft kunnen voorzien.2 Hierbij teken ik aan dat ik het minder waarschijnlijk acht dat de vennootschap in het onderhavige scenario heeft kunnen voorzien dat zich als gevolg van de misleiding een premium zou vormen, dan dat zij in het eerstgenoemde scenario heeft kunnen voorzien dat als gevolg van de misleiding het premium-effect langer zou voortduren. In het eerstgenoemde scenario was toen de misleiding begon het premium-effect immers reeds aanwezig, zodat de vennootschap er eerder op bedacht kon zijn dat hier koersschade uit zou kunnen voortvloeien. Verder pleit ook de toerekeningsfactor verwijderdheid van de schade3 er in dit geval (op zichzelf) voor het premium-effect niet aan de vennootschap toe te rekenen. De meest nabije oorzaak van het premium-effect is hier namelijk de te rooskleurige analistenvoorspelling, en niet de misleiding. De misleiding is hier een verder gelegen oorzaak.
Kortom, in beide besproken scenario’s is (onder omstandigheden) denkbaar dat de premium voor vergoeding in aanmerking komt, alleen in het eerste scenario ligt dat meer voor de hand dan in het tweede.