Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.4.1:15.4.3.4.1 Algemeen; vragen in voorbereiding op boetebesluit
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.4.1
15.4.3.4.1 Algemeen; vragen in voorbereiding op boetebesluit
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493526:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Reijntjes 2005, p. 362, wijst erop dat verzoeken om inlichtingen evenzeer buiten schot zouden blijven wanneer bij de formulering van art. 29, lid 1 Sv zou zijn aangesloten (‘Wanneer iemand wordt verhoord op grond van een op feiten of omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden dat hij een overtreding heeft begaan, is hij niet tot antwoorden verplicht.’). Hierbij teken ik aan dat deze formulering de kwestie van vragen met een dubbele doel nog niet oplost.
Kamerstukken II, 2005/06, 29 702, nr. 7, p. 41 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetsgeschiedenis bij art. 5:10a Awb volgt niet concreet wanneer sprake is van een ‘verhoor’ in boetezaken. Er lijkt sprake van een niet-geformaliseerd, feitelijk begrip. Of iemand wordt ondervraagd met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie, moet worden vastgesteld op grond van de objectieve omstandigheden. Als zodanige omstandigheden hebben blijkbaar te gelden dat het bestuursorgaan (in belastingzaken: de inspecteur) serieus overweegt om een overtreding punitief af te doen, terwijl de vragen zijn gericht op bestraffing en niet (mede) zijn gericht op de uitoefening van andere bestuurstaken, zoals de belastingheffing.1
Kennelijk heeft de wetgever met het verhoorbegrip in art. 5:10a, lid 1 Awb beoogd om aan te sluiten bij het doel van de vragen: het recht om te zwijgen geldt alleen bij vragen die zijn gericht op bestraffing en (dus) niet bij vragen die (mede) zijn gericht op andere bestuurstaken.2 Wanneer dit juist is, dan is het ‘verhoor’ in boetezaken in wezen beperkt tot situaties waarin (mondeling) informatie wordt gevraagd die uitsluitend is bedoeld ter voorbereiding van een boetebesluit.3 Dan moet eerst en vooral worden gedacht aan vragen over de verwijtbaarheid van de betrokkene. Of die vragen in een directe confrontatie worden gesteld, lijkt niet van belang. Het boeterechtelijk zwijgrecht geldt ook voor schriftelijke vragen.4