Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/10.2
10.2 Voorzieningen
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85899:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 24 juli 2007, ARO 2007/142 (Van Doorn).
Vide HR 1 maart 2002, NJ 2002/296, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2002/79, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2002/29, m.nt. L. Timmerman, r.o. 3.9 (Zwagerman). Volgens de Hoge Raad bevat art. 2:356 BW een limitatieve opsomming van voorzieningen die de Ondernemingskamer (desverzocht) kan treffen, waartoe niet behoort het toekennen van bijzondere, naast de in de wet genoemde, bevoegdheden aan een op de voet van (art. 2:355, eerste lid, BWiuncto) art. 2:356, aanhef en onderdeel c, BW aangestelde commissaris (bestuurder). Wel kan zij op grond van het bepaalde in onderdeel d ervan een voorziening treffen waarbij tijdelijk van de statuten wordt afgeweken in die zin dat, in afwijking van de statuten van de geënquêteerde vennootschap, aan de vorenbedoelde persoon bepaalde bevoegdheden worden toegekend. Deze kunnen echter geen andere zijn dan de wet toelaat, aldus, nog steeds, de Hoge Raad. Een dergelijke statutaire voorziening was in de Van Doorn-zaak niet getroffen.
Vide voetnoot 2 supra.
Hof Amsterdam (OK) 3 november 2008, ARO 2008/175 (ICTrack).
Vide voor het antwoord op de vraag wie bestuurder van wie was en wie aandelen in het geplaatste kapitaal van wie hield, hof Amsterdam (OK) 4 maart 2008, ARO 2008/51, r.o. 2.1-2.2 (ICTrack).
In aansluiting op de wanbeleidvaststelling kan, in geval van een concerngenotenenquête, de Ondernemingskamer eveneens desverzocht een of meer (eind)voorzieningen treffen bij de vennootschappen waarover die vaststelling zich uitstrekt, hetwelk ertoe kan leiden dat ze (mede) op dochterniveau worden getroffen.
Voorbeelden daarvan uit ’s Ondernemingskamers beschikkingspraktijk zijn echter spaarzaam; mij zijn er slechts twee bekend. Allereerst noem ik de beschikking inzake Van Doorn.1 Daarin trof de Ondernemingskamer een aantal voorzieningen van definitieve aard (sc. vernietiging van bestuursbesluiten en ontslag van bestuurders, een en ander kennelijk op grond van art. 2:355, eerste lid, BW iuncto art. 2:356, aanhef en onderdelen a en b, BW) bij een dochtermaatschappij. Bovendien trof zij bij haar én bij haar moedermaatschappij een voorziening van tijdelijke aard (sc. benoeming van een bestuurder). Het is kwestieus of dit een art. 2:356, aanhef en onderdeel c, BW-voorziening betrof, nu aan de te benoemen persoon een ‘doorslaggevende stem’ toekwam, hetgeen in strijd zou zijn met de beschikking inzake Zwagerman van de Hoge Raad.2 Voorts kunnen slechts art. 2:356 BW-voorzieningen worden getroffen ‘[i]ndien uit het verslag van wanbeleid is gebleken’ (art. 2:355, eerste lid, eerste zinsnede, BW). Er lijkt te dezen echter louter wanbeleid op dochterniveau te zijn vastgesteld.3 Indachtig het adagium ius curia novit, houd ik het er dan ook op dat het hier een onmiddellijke voorziening op de voet van art. 2:355, derde lid, BWiuncto art. 2:349a, tweede lid, BW betrof.
Daarnaast noem ik de ICTrack-beschikking.4 Daarin trof de Ondernemingskamer bij de moedermaatschappij art. 2:356, aanhef en onderdelen b, c en e, BW-voorzieningen. Voorts vernietigde zij bij wijze van art. 2:356, aanhef en onderdeel a, BW-voorziening het ‘besluit van M.C. Hooijer Beheer B.V. [formeel bestuurder van de moedermaatschappij en materieel bestuurder van haar dochtermaatschappijen, toev. RPJ] om akkoord te gaan met de inhoud van de in 2.7 vermelde brief van Lizatec B.V. aan ICTrack B.V. [moedermaatschappij, toev. RPJ], Wireless Inter Networks Solutions & Technology B.V. [dochtermaatschappij, toev. RPJ] en Smartcoded B.V. [dochtermaatschappij, toev. RPJ] van 17 december 2007 alsmede het besluit van M.C. Hooijer Beheer B.V. om akkoord te gaan met de in 2.7 vermelde vaststellingsovereenkomst tussen Lizatec B.V. en ICTrack B.V. van 21 januari 2008’.5 Als ik dat goed zie, dan werden in dezen vier voorzieningen als evenbedoeld getroffen, namelijk de vernietiging van een (bestuurs)besluit op moederniveau ter zake van de vaststellingsovereenkomst en de vernietiging van drie (bestuurs)besluiten, waarvan één op moederniveau en twee op dochterniveau, ter zake van de brief.