Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5
Hoofdstuk 5 Buitenlandse groepsmaatschappijen
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85945:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide over de terminologie F. Ibili, Gewogen rechtsmacht in het IPR. Over forum (non) conveniens en forum necessitatis (diss. Amsterdam VU), Serie Recht en Praktijk, deel 148, Deventer: Kluwer 2007, p. 5; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I bis-Verordening, Aanhef, Inleidende opmerkingen, aant. 1c.
Ik zal, op een enkele uitzondering na, geen aandacht besteden aan het materiële IPR als verankerd in (voor Nederland geldende) verdragen of Unierechtelijke verordeningen, zoals Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) en Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet- contractuele verbintenissen (Rome II).
In geval van een internationaal concern, waaronder ik versta een concern bestaande uit overeenkomstig het recht van ten minste twee verschillende (lid)staten opgerichte groepsmaatschappijen, dringt de vraag zich op of en, zo ja, in hoeverre zulks juridische consequenties heeft voor de toepassing van het Nederlandse enquêterecht met betrekking tot de buitenlandse groepsmaatschappijen. Daarop zal in het hiernavolgende worden ingegaan, en wel als volgt. Allereerst bespreek ik het formele (commune) IPR. In dat kader komt de vraag aan de orde of de Ondernemingskamer bevoegd is van een concerngenotenenquêteverzoek voor zover dat (mede) ziet op een of meer in andere (lid)staten (statutair) zetelende groepsmaatschappijen, kennis te nemen (‘rechtsmacht’, ‘(internationale) bevoegdheid’ of ‘jurisdictie’ genoemd).1 Hierbij maak ik een onderscheid tussen het baseren van bevoegdheid op een (voor Nederland geldend) verdrag of een EU-Verordening en (ii) het commune, Nederlandse bevoegdheidsrecht als neergelegd in art. 1-14 Rv. Vervolgens stap ik over op een bespreking van het materiële commune IPR (ook wel het commune ‘conflictenrecht’, ‘collisierecht’ of ‘verwijzingsrecht’ genoemd) als verankerd in Boek 10 BW.2 In dat verband komen aan bod de vraag naar het toepasselijke recht en het toepassingsbereik van het Nederlandse enquêterecht.
5.1 Het formele (commune) IPR5.2 Het materiële, commune IPR5.3 Tussenconclusie