Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/8
Hoofdstuk 8 Gegronde redenen
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85875:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op die lijn zit ook Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1663.
In hof Amsterdam (OK) 19 juli 2012, JOR 2013/7, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.8 (Cancun) lijkt de Ondernemingskamer dat wel te suggereren door het volgende te overwegen: ‘Hetgeen hiervoor is overwogen houdt mede in dat niet van een verzoeker in de eerste fase van een enquêteprocedure kan worden gevergd dat hij alle mogelijke gronden en feiten voor het bestaan van mogelijk wanbeleid [curs. RPJ] bij een vennootschap naar voren brengt in dier voege dat hij deze in een later stadium, nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden, niet meer zou mogen aanvullen.’
Vide over de verhouding tussen norm gegronde redenen om aan de juistheid van het beleid en de gang van zaken te twijfelen en de norm wanbeleid ter illustratie hof Amsterdam (OK) 15 maart 2005,JOR 2005/88, r.o. 3.33 (Emba) en daarover Geerts 2006, op. cit., p. 58 en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/753.
In die richting ook Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 6 (MvT), waarin de minister van Justitie zich het verloop van de enquêteprocedure als volgt voorstelde: ‘Uit het resultaat van het onderzoek kan blijken dat achteraf gezien de twijfel toch ongegrond was, of dat inderdaad van een onjuist beleid moet worden gesproken. Blijkt het beleid in zeer ernstige mate te zijn te kort geschoten [sic], zodat van wanbeleid moet worden gesproken, dan is er voldoende aanleiding tot toepassing van een of meer voorzieningen door de ondernemingskamer, voor zover niet reeds vrijwillig maatregelen zijn getroffen.’ In verband met dit ‘voortschrijdend proces’ wordt zijns inziens ook de terminologie toegespitst in de zin dat ‘voor elk volgend stadium eisen worden gesteld, die scherper worden naarmate meer gegevens in de loop der procedure bekend worden’. Vide ook Advies inzake het enquêterecht (advies van 19 mei 1967, SER 1967/05), Den Haag: SER 1967, p. 7. Vide voorts Maeijers noot, onder 2, bij HR 18 juni 1980, NJ 1981/547, m.nt. J.M.M. Maeijer (Bureau Beckers), waarin hij sprak van een ‘dietrapsraket’. Vide bovendien R.M. Hermans, ‘De voorfase van de enquêteprocedure’, in: G. van Solinge en M. Holtzer (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2003-2004, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 75, Deventer: Kluwer 2004, p. 270, alwaar hij de enquêteprocedure vergeleek met een ‘hordeloop’. Elk stadium is zijns inziens een horde en die horden worden steeds hoger. Zowel Maeijer als Hermans sprak slechts van, kort gezegd, bezwaren, gegronde redenen en wanbeleid. Anders dan de minister, bezigden zij niet (mede) het begrip ‘onjuist beleid’.
Cf. Hermans noot, onder 2, bij hof Amsterdam (OK) 5 augustus 2009, JOR 2009/254, m.nt. R.M. Hermans (ASMI); conclusie, onder 4.11, van A-G Timmerman bij HR 30 maart 2012, NJ 2012/423, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2012/142, m.nt. B. Winters (ASMI).
Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1657.
Buijn en Storm, op. cit., p. 1000.
Geerts 2004, op. cit., p. 120; Geerts 2005, op. cit., p. 89; Geerts 2006, op. cit., p. 12 en 15.
Noot, onder 4 (p. 1039), van Raaijmakers bij HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard,AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Landis).
Van Solinge 2012a, op. cit., p. 204; Van Solinge 2012b, op. cit., p. 87.
Storm 2018, op. cit., p. 115.
Conclusie, onder 2.15, bij HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Landis).
Ziekman, op. cit., p. 395-396.
Zweedijk, op. cit., p. 85.
Vide ook E.M. Soerjatin, ‘Kroniek enquêterecht 2004: over consolidatie gesproken’, in: G. van Solinge, M. Holtzer en A.F.J.A. Leijten (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2004-2005, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 82, Deventer: Kluwer 2005, p. 79.
Bartman 2005, op. cit., p. 555-556.
Van Wijk 2009, op. cit., p. 15.
Vide ook De Groot, op. cit., p. 25.Volgens J.H. Lemstra, ‘Enquête sans frontières’, in: K.M. van Hassel en M.P. Nieuwe Weme (red.), Willems’ wegen. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.H.M. Willems, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 102, Deventer: Kluwer 2010, p. 277 leggen Bartman en Van Wijk de Landis-beschikking op het hier bedoelde punt in de door hem bepleite zin uit.
HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.5 (Landis).
Op die lijn zit ook A-G Timmerman in zijn conclusie, onder 2.15, bij HR 4 februari 2005,NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Landis).
Vide hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, rekestnr. 175/2000, JOR 2000/127, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000/23, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bot Bouw); hof Amsterdam (OK) 23 januari 2001, JOR 2001/56 (Tactron); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2003, ARO 2003/110 (B&S Heiloo); hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis); hof Amsterdam (OK) 13 april 2004, ARO 2004/54 (Cebepe); hof Amsterdam (OK) 25 maart 2005, ARO 2005/59 (Euroyal); hof Amsterdam (OK) 25 mei 2005, ARO 2005/84 (Florimarx); hof Amsterdam (OK) 21 juni 2005, ARO 2005/98 (Knapen); hof Amsterdam (OK) 22 juli 2005, ARO 2005/121 (Arthromed); hof Amsterdam (OK) 9 mei 2006, ARO 2006/99 (TriQorp); hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2006, ARO 2006/172 (Hartevelt); hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143, m.nt. M.P. Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2007/103, m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO); hof Amsterdam (OK) 22 juni 2007, ARO 2007/102 (Micam); hof Amsterdam (OK) 13 juli 2007,ARO 2007/121 (Villa Happ); hof Amsterdam (OK) 27 december 2007, ARO 2008/8 (Pool); hof Amsterdam (OK) 4 maart 2008, ARO 2008/51 (TCTrack); hof Amsterdam (OK) 5 maart 2008, ARO 2008/53 (Kalf-Valk); hof Amsterdam (OK) 3 mei 2010, ARO 2010/82 (Mulix); hof Amsterdam (OK) 11 mei 2015, ARO 2015/136 (Barendregt’s); hof Amsterdam (OK) 18 mei 2017, ARO 2017/128 (Roessen & Roessen); hof Amsterdam (OK) 24 september 2018, ARO 2018/194 (Monitus); hof Amsterdam (OK) 4 december 2018, ARO 2019/41 (Korsten); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019,ARO 2019/83 (Treffers). Vide met betrekking tot de beschikkingen inzake Korsten en Treffers hoofdstuk 7, voetnoot 312 (onder ‘Ten achtste’ respectievelijk ‘Ten negende’). Indien sprake was van een concerngenotenenquête, en de verzoeker dus geen, of onvoldoende, (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van de onderliggende vennootschap(pen) houdt, hij houdt zulks louter (in voldoende mate) in dat van de bovenliggende vennootschap, dan kan hieraan worden toegevoegd hof Amsterdam (OK) 8 mei 2002, JOR 2002/112, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Broadnet). In hof Amsterdam (OK) 27 december 2006, ARO 2007/4 (Woudwood) trof de Ondernemingskamer wél onmiddellijke voorzieningen bij de (twee) verweersters, maar overwoog zij níét dat er gegronde redenen waren om aan een juist beleid van beide vennootschappen te twijfelen waren. Hetzelfde geldt m.m. ook voor hof Amsterdam (OK) 17 december 2008, ARO 2009/3 (MCEG). Vide ook hof Amsterdam (OK) 10 februari 2011, ARO 2011/33 (MEI), waarin wél een onderzoek bij een aantal vennootschappen werd bevolen, maar níét (expliciet) ten aanzien van hun beleid een gegronde redenen-oordeel werd uitgesproken. Hetzelfde geldt voor hof Amsterdam (OK) 22 januari 2015,ARO 2015/70 (DPS). Vide bovendien hof Amsterdam (OK) 11 mei 2011, ARO 2011/82 (Proxy). Daarin beval de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een holding en haar vier – ten tijde van de indiening van het enquêteverzoek reeds opgehouden te bestaan hebbende – dochtermaatschappijen, maar oordeelde zij enkel ten aanzien van het beleid van een van die vennootschappen, en wel een dochtermaatschappij, dat er gegronde redenen waren. Vide tevens hof Amsterdam (OK) 25 september 2015, ARO 2015/214 (Metrical) en hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Baars), waarin de Ondernemingskamer – in haar tot afwijzing van het verzoek (als gedaan in het verzoekschrift) voerende – beoordeling algemeen sprak van (het ontbreken van) gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, zonder te expliciteren op welke vennootschap(pen) zulks betrekking had. Spiegelbeeldig daaraan is hof Amsterdam (OK) 17 december 2015, ARO 2016/7 (4Apps). Overigens noem ik hof Amsterdam (OK) 18 mei 2015, ARO 2015/138 (Pharma Feed); hof Amsterdam (OK) 21 mei 2015, ARO 2015/139 (Proov). Vide daarover nader voetnoot 325 van hoofdstuk 7 (onder ‘Ten vijftiende’ respectievelijk ‘Ten zestiende’).
Vide hof Amsterdam (OK) 20 juli 2000, rekestnr. 592/2000 (Nedco); hof Amsterdam (OK) 2 november 2000, JOR 2001/6 (Cohere); hof Amsterdam (OK) 16 november 2000, JOR 2001/9 (MUS); hof Amsterdam (OK) 29 maart 2001, rekestnr. 306/2001 (Incore); hof Amsterdam (OK) 31 augustus 2001, JOR 2001/207 (Easy World Airline) en hof Amsterdam (OK) 31 december 2002,ARO 2003/8 (Easy World Airline); hof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, JOR 2002/125, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Janson); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2002, ARO 2002/128 (Polyplus); hof Amsterdam (OK) 1 augustus 2002, ARO 2002/129 (Mali Zevenaar); hof Amsterdam (OK) 31 december 2002, ARO 2003/9 (Kruisheer Elffers); hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60 (Callas); hof Amsterdam (OK) 6 juni 2003, ARO 2003/98 (Mc Veldt); hof Amsterdam (OK) 27 juni 2003, ARO 2003/113 (Johnny Hoes); hof Amsterdam (OK) 4 januari 2005, ARO 2005/5 (Bouwburo); hof Amsterdam (OK) 28 februari 2005, ARO 2005/34 (Dodo); hof Amsterdam (OK) 24 maart 2005, ARO 2005/55 (ACI); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2005, ARO 2005/97 (’t Hart); hof Amsterdam (OK) 20 juli 2005, ARO 2005/119 (BKV); hof Amsterdam (OK) 1 augustus 2005, ARO 2005/150 (Curamedical); hof Amsterdam (OK) 22 maart 2006, ARO 2006/70, Ondernemingsrecht 2006/145, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Van Doorn); hof Amsterdam (OK) 7 april 2006, ARO 2006/72 (Punching); hof Amsterdam (OK) 30 mei 2006, ARO 2006/105 (BWI); hof Amsterdam (OK) 28 juni 2006, ARO 2006/114 (Van Lennep); hof Amsterdam (OK) 26 juli 2006, ARO 2006/142 (K&H); hof Amsterdam (OK) 28 juli 2006, ARO 2006/145 (TriQorp); hof Amsterdam (OK) 24 november 2006, ARO 2006/193 (Masselink); hof Amsterdam (OK) 24 november 2006, ARO 2006/192 (De Leeuw); hof Amsterdam (OK) 23 januari 2007, ARO 2007/23 (Van de Steege); hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, ARO 2007/46 (ITpreneurs); hof Amsterdam (OK) 22 november 2007, ARO 2007/189 (Zondervan); hof Amsterdam (OK) 17 april 2008, JOR 2008/157, m.nt. A. Doorman (ABN AMRO); hof Amsterdam (OK) 24 april 2008, ARO 2008/86 (Van Loon); hof Amsterdam (OK) 3 december 2008, ARO 2008/191 (Graphic); hof Amsterdam (OK) 26 januari 2009, ARO 2009/19 (E&M Horeca); hof Amsterdam (OK) 16 maart 2009, ARO 2009/56 (Nedelko); hof Amsterdam (OK) 19 november 2009, ARO 2009/180 (FazandtGroep); hof Amsterdam (OK) 8 maart 2010, ARO 2010/44 (Allround Cargo); hof Amsterdam (OK) 29 april 2010, ARO 2010/72 (Celco); hof Amsterdam (OK) 20 mei 2010, ARO 2010/88 (UPA); hof Amsterdam (OK) 29 juni 2010, ARO 2010/104 (Poststate); hof Amsterdam (OK) 16 juli 2010, ARO 2010/112 (Boon); hof Amsterdam (OK) 16 november 2010, ARO 2010/170 (2Link); hof Amsterdam (OK) 18 november 2010, ARO 2010/171 (Weerts & Van Rooij); hof Amsterdam (OK) 17 maart 2011, ARO 2011/55 (A&T Van Beek); hof Amsterdam (OK) 21 juni 2011, ARO 2011/104 (Markerink); hof Amsterdam (OK) 8 september 2011, ARO 2011/139 (Induna); hof Amsterdam (OK) 29 september 2011, ARO 2011/148 (RVDD); hof Amsterdam (OK) 27 december 2011, ARO 2012/6 (Hein Schilder); hof Amsterdam (OK) 10 april 2012, ARO 2012/56 (Sequoia); hof Amsterdam (OK) 28 augustus 2012,ARO 2012/119 (Perison & Pierson); hof Amsterdam (OK) 26 november 2012, ARO 2012/165 (Via Parva); hof Amsterdam (OK) 8 januari 2013, ARO 2013/24 (BHC); hof Amsterdam (OK) 17 januari 2013, ARO 2013/26 (Thermen); hof Amsterdam (OK) 2 april 2013, ARO 2013/68 (New Look); hof Amsterdam (OK) 30 mei 2013, ARO 2013/98 (Meditaxi) en hof Amsterdam (OK) 1 juli 2013, ARO 2013/119 (Meditaxi); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2013, ARO 2013/127 (Jimm); hof Amsterdam (OK) 24 oktober 2013, JOR 2014/159, m.nt. W.H. van Baren (Staat); hof Amsterdam (OK) 12 december 2013, ARO 2014/6 (Three Ships); hof Amsterdam (OK) 20 december 2013, ARO 2014/9 (Agri); hof Amsterdam (OK) 10 februari 2014, ARO 2014/40 (Wikkelbok); hof Amsterdam (OK) 13 maart 2014, ARO 2014/60 (S&R); hof Amsterdam (OK) 17 maart 2014, ARO 2014/61 (Fuhler); hof Amsterdam (OK) 31 maart 2014, ARO 2014/64 (Plat Edam); hof Amsterdam (OK) 8 mei 2014, ARO 2014/85 (De Jong); hof Amsterdam (OK) 21 augustus 2014, ARO 2014/175 (Depron); hof Amsterdam (OK) 11 november 2014, ARO 2015/18 (Iszgro); hof Amsterdam (OK) 21 april 2015, ARO 2015/117 (Penta Properties); hof Amsterdam (OK) 16 juni 2015, ARO 2015/165 (Clifden); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/171 (Phanos Reit); hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/173 (Lansinkveste); hof Amsterdam (OK) 11 september 2015, ARO 2015/191 (RTC); hof Amsterdam (OK) 5 februari 2016, ARO 2016/58 (Strara); hof Amsterdam (OK) 13 mei 2016, ARO 2016/139 (Meijbon); hof Amsterdam (OK) 22 september 2016, ARO 2017/24 (Blue); hof Amsterdam (OK) 14 november 2016, ARO 2017/51 (WiSH IP); hof Amsterdam (OK) 6 april 2017, ARO 2017/104 (New Company Investments); hof Amsterdam (OK) 14 juli 2017, ARO 2017/147 (TCO); hof Amsterdam (OK) 17 juli 2017, ARO 2017/148 (Bakery Initiatives); hof Amsterdam (OK) 28 september 2017, ARO 2018/5 (Readen Retail); hof Amsterdam (OK) 1 november 2017,ARO 2018/32 (HASBOS); hof Amsterdam (OK) 14 december 2017, ARO 2018/38 (Cosijn & Visser); hof Amsterdam (OK) 21 december 2017, ARO 2018/49 (Ager); hof Amsterdam (OK) 21 december 2017, ARO 2018/50 (IHP); hof Amsterdam (OK) 1 maart 2018, ARO 2018/79 (Trinity); hof Amsterdam (OK) 6 april 2018, ARO 2018/83 (ADW); hof Amsterdam (OK) 6 april 2018, ARO 2018/110 (Monitor); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2018, ARO 2018/144 (Harderwijk); hof Amsterdam (OK) 26 juli 2018, JOR 2018/275, m.nt. S.M. Bartman, Ondernemingsrecht 2019/41, m.nt. F. Eikelboom, JIN 2018/184, m.nt. P. Haas (SNS); hof Amsterdam (OK) 27 augustus 2018,ARO 2018/185 (Hoeve Holland); hof Amsterdam (OK) 19 december 2018, ARO 2019/64 (Steelframe); hof Amsterdam (OK) 31 januari 2019, ARO 2019/73 (Monmar); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019, ARO 2019/84 (Lap); hof Amsterdam (OK) 5 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1603 (Cavari). Indien in de navolgende zaken sprake was van een concerngenotenenquête, en de verzoeker dus geen, of onvoldoende, (certificaten van) aandelen in het geplaatste kapitaal van de onderliggende vennootschap(pen) houdt, hij houdt zulks louter (in voldoende mate) in dat van de bovenliggende vennootschap, dan kan hieraan worden toegevoegd hof Amsterdam (OK) 26 oktober 2000, JOR 2001/5 (Paalman) en hof Amsterdam (OK) 20 april 2001, rekestnr. 835/2000 (Paalman). Vide nader voetnoot 324 van hoofdstuk 7 (onder ‘Ten tweede’).
Hof Amsterdam (OK) 20 december 2013, ARO 2014/9, r.o. 3.6 (Agri).
Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2014, ARO 2014/60, r.o. 3.11 (S&R).
Hof Amsterdam (OK) 4 augustus 2014, ARO 2014/173, r.o. 3.3 (Best Green).
Hof Amsterdam (OK) 10 september 2008, ARO 2008/155, r.o. 3.9 (Janssen).
Hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2009/13, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 3.17 (Fortis).
Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282, m.nt. J.M. Blanco Fernández, r.o. 3.27 (Synpact).
Hof Amsterdam (OK) 21 januari 2014, ARO 2014/35, r.o. 3.9 (Polderland).
Hof Amsterdam (OK) 9 december 2016, ARO 2017/60, r.o. 3.3 iuncto 3.4 (Vos).
Er dient te worden gesteld dat er gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken te twijfelen. Deze (centrale) stelling dient van stoffering te worden voorzien (de toelichting, motivering, substantiëring of onderbouwing, het, anders gezegd, waarom). Dit noemt men de aangevoerde ‘bezwaren’, ‘verwijten’, ‘argumenten’, ‘stellingen’ of ‘gronden’. Vide bijvoorbeeld hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta,Ondernemingsrecht 2009/13, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 3.3-3.4 en 3.13 (Fortis); hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282, m.nt. J.M. Blanco Fernández, r.o. 3.1, 3.3 en 3.25-3.27 (Synpact); hof Amsterdam (OK) 4 augustus 2014, ARO 2014/173, r.o. 3.2 (Best Green); hof Amsterdam (OK) 9 december 2016, ARO 2017/60, r.o. 3.4 (Vos). Onder dat aangevoerde hangen de (concrete) feiten en omstandigheden.
Vide ook hof Amsterdam (OK) 22 september 2015, ARO 2015/211, r.o. 3.13 (Schoenaker). Daarin zag de Ondernemingskamer ‘in het gestelde onvoldoende aanleiding om een onderzoek binnen deze [onderliggende, toev. RPJ] vennootschappen te gelasten. Erwo heeft geen aanknopingspunten aangedragen die een onderzoek bij deze vennootschappen rechtvaardigen’. Mitsdien werd het verzoek in zoverre afgewezen.
Hof Amsterdam (OK) 6 januari 2006, JOR 2006/69, m.nt. R.G.J. Nowak, r.o. 3.8 (Mondoor).
Hof Amsterdam (OK) 20 januari 2009, ARO 2009/15, r.o. 3.12 (Barcofra).
Hof Amsterdam (OK) 29 juni 2007, ARO 2007/103, r.o. 3.10 (2H Media).
Hof Amsterdam (OK) 30 maart 2011, ARO 2011/63, r.o. 3.7 (Muntal).
Hof Amsterdam (OK) 27 november 2007, ARO 2007/190, r.o. 3.20 (B&A).
Hof Amstesrdam (OK) 28 oktober 2011, ARO 2011/167, r.o. 3.12 (Twister Media).
Hof Amsterdam (OK) 4 augustus 2014, ARO 2014/173, r.o. 3.3 (Best Green).
Hof Amsterdam (OK) 24 februari 2017, ARO 2017/72, r.o. 3.7 (Care).
Hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60, r.o. 3.3-3.4 (Callas). Cf. hof Amsterdam (OK) 31 juli 2013, ARO 2013/127, r.o. 3.4 (Jimm), waarin de Ondernemingskamer overwoog, voor zover hier van belang en kort gezegd, dat de verstoorde verhouding tussen de aandeelhouders/bestuurders en de financiële toestand van Jimm Holding, de moedermaatschappij, en – gezien ‘de verwevenheid van het beleid en de gang van zaken in de onderscheiden vennootschappen’: haar dochtermaatschappijen – gegronde redenen opleverde om aan de juistheid van het beleid en de gang van zaken van al deze vennootschappen te twijfelen.
Hof Amsterdam (OK) 26 maart 2003, ARO 2003/60, r.o. 3.4 (Callas).
Hof Amsterdam (OK) 1 februari 2018, ARO 2018/90, r.o. 3.6 (Setay).
In deze paragraaf staat de vraag centraal of in geval van een verzoek om een concerngenotenenquête bij alle in zulk een enquête te betrekken vennootschappen moet blijken dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een en ander als bedoeld in art. 2:350, eerste lid, BW. Onder die (open) norm versta ik het volgende.
Naar mijn opvatting dient de verzoeker tot enquête dusdanige feiten en omstandigheden (gemotiveerd) te stellen en, bij (gemotiveerde) betwisting, aannemelijk te maken dat de Ondernemingskamer tot de overtuiging wordt gebracht dat er een reële kans bestaat dat als er een onderzoek wordt gelast, uit het naar aanleiding daarvan opgestelde verslag ten minste van onjuist beleid of van een onjuiste gang van zaken blijkt.1 Hij behoeft niet een vermoeden van wanbeleid aannemelijk te maken, ofschoon daar zeer wel sprake van kan zijn, is een vermoeden van onjuist beleid (een onjuiste gang van zaken incluis) voldoende, noch behoeft hij aannemelijk te maken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden wijzen op mogelijk wanbeleid2 dan wel dat er een redelijke kans bestaat dat een te verrichten onderzoek wanbeleid zal uitwijzen.
Zulks volgt immers niet uit de formulering van de norm, waarin de gegronde redenen slechts gericht hoeven te zijn op de twijfel aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken. Verder wordt daarmee miskend dat in het systeem van onze enquêteregeling drie verschillende (open) normen een belangrijke rol spelen, namelijk (i) gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, (ii) onjuist beleid en (iii) wanbeleid, die in gradatie (lees: zwaarte) oplopen.3 In geval van het hanteren van een vermoeden van onjuist beleid betekent zulks dat uit het onderzoeksverslag kan blijken dat (a) dit vermoeden ongegrond is, (b) er inderdaad sprake is van onjuist beleid of (c) er zelfs sprake is van wanbeleid.4 Bovendien wordt door het hanteren van een vermoeden van wanbeleid, of een eis die daarmee welhaast op één lijn kan worden gesteld, te veel van de verzoeker verlangd wat zijn stelplicht aangaat, een en ander in het licht van deze situatie dat hij, door het verstoken blijven van (relevante) informatie, met een (oplopend) informatieachterstand als gevolg, niet precies weet wat zich binnen de vennootschap(pen) heeft afgespeeld – ziedaar (een van) de reden(en) voor zijn bezoek aan de Ondernemingskamer – en hij daarom beperkt zal zijn in de door hem aan te kunnen voeren feiten en omstandigheden, zowel in hoeveelheid als in soort als in gedetailleerdheid. Het verzochte onderzoek strekt er juist toe de relevante feiten (de waarheid) boven tafel te krijgen en aldus die informatieachterstand weg te werken.5
Dit gezegd hebbende, dan nu terug naar de aan het begin van deze paragraaf opgeworpen vraag. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme,6 Slagter,7 Buijn en Storm,8 Geerts,9 Raaijmakers,10 Van Solinge,11 Storm,12 A-G Timmerman,13 Ziekman14 en Zweedijk15 beantwoorden deze bevestigend; zij zijn (kennelijk) van mening dat per afzonderlijke te enquêteren vennootschap moet blijken van gegronde redenen.16 Bartman17 en Van Wijk18 zijn daarentegen van mening dat daarvan níét hoeft te blijken,19 aangezien de Hoge Raad in zijn Landis-beschikking overwoog ‘dat binnen de dochtermaatschappijen geen sprake was van enig ten opzichte van de moedermaatschappij zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid’,20 hetgeen impliceert dat de moedermaatschappij het bestuursbeleid van haar dochtermaatschappij(en) volledig bepaalt, reden waarom volstaan kan worden met het vaststellen dat ten aanzien van eerstgenoemde is voldaan aan de art. 2:350, eerste lid, BW-eis.
Ik ben het eens met de eerstgenoemden; de – afwijkende – mening van de twee laatstgenoemden deel ik om de navolgende redenen niet. Ten eerste dienen, daarover bestaat volgens mij geen verschil van mening, ook de bezwaren tegen het beleid en/of de gang van zaken van een dochtermaatschappij van tevoren kenbaar te worden gemaakt (wél bestaat discussie over de vraag of het bestuur van die dochtermaatschappij daar juridisch van op de hoogte moet worden gebracht of dat zulks ook feitelijk kan), een en ander op de voet van art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW (vide nader hoofdstuk 6). In het verlengde daarvan moeten er naar mijn opvatting ook gegronde redenen zijn om aan de juistheid van haar beleid of gang van zaken te twijfelen. Ten tweede valt niet alleen (bestuurs)beleid binnen de draagwijdte van art. 2:350, eerste lid, BW, maar – sinds 1 januari 2013 – ook een ‘juiste gang van zaken’. Ten derde moge het zo zijn dat in de eerdergenoemde situatie de moedermaatschappij (feitelijk) het bestuursbeleid van haar dochtermaatschappij volledig bepaalt, en er derhalve op het niveau van laatstgenoemde geen sprake is van beleidsautonomie, maar zulks betekent niet, althans niet zonder meer, dat de gegronde redenen bij die dochtermaatschappij dezelfde zijn als die bij haar moedermaatschappij, waarbij ik erop wijs dat in de meergenoemde beschikking de Hoge Raad de moeder- en dochtermaatschappijen noch hun beleid en/of gang van zaken met elkaar heeft vereenzelvigd. Ten vierde is het niet kunnen bepalen en voeren van zelfstandig bestuursbeleid zijdens een dochtermaatschappij – een – situatie waarin aan het raken-vereiste wordt voldaan; er kunnen er meer of andere zijn (vide nader § 7.1.3.1.3). Ten vijfde is in de huidige – op de enkelvoudige vennootschap gerichte – enquêteregeling nu eenmaal de voorwaarde opgenomen dat de Ondernemingskamer een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345, eerste lid, BW slechts toewijst indien van het bepaalde in art. 2:350, eerste lid, BW is gebleken; dat is het geldende systeem.21 Dat sinds ’s Hogen Raads Landis-beschikking door houders van (certificaten van) aandelen ook, onder bepaalde omstandigheden, bevoegdelijk om een enquête kan worden verzocht bij een of meer onder ‘hun eigen’ vennootschap ressorterende dochtermaatschappijen, doet daar niet aan af.
Resteert de vraag welke mening – bij gebreke van een uitspraak van de Hoge Raad te dezen – de Ondernemingskamer is toegedaan. Bij de beantwoording van die vraag zij vooropgesteld dat alhoewel in een deel van de, veelal wat oudere, beschikkingen zij niet (uitdrukkelijk) vermeldde of er mede (voorshands) gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken van (een deel van) de eveneens te enquêteren onderliggende vennootschap(pen), van de bovenliggende vennootschap in wier geplaatste kapitaal de verzoeker (certificaten van) aandelen hield, te twijfelen,22 uit het gros van haar beschikkingen blijkt dat zij zulks (expliciet) vermeldt.23
Kijken wij naar een aantal, hier van belang zijnde, beschikkingen waarin het enquêteverzoek voor zover dat (mede) zag op een of meer onderliggende vennootschappen, niet voor toewijzing in aanmerking kwam, dan ontstaat het volgende beeld. In de beschikkingen inzake Agri24 en S&R25 liep het verzoek hierop vast dat het niet was ‘toegelicht’, met welk toelichten, mede gezien de Best Green-beschikking,26 (mede) lijkt te worden gedoeld op het aan de gegronde redenen-stelling ten grondslag gelegde. Volgens mij was er in de twee eerstgenoemde beschikkingen ofwel niet gesteld dat en waarom er gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van de onderliggende vennootschap(pen) te twijfelen, ofwel sprake van een blote stelling (wel gesteld dat er gegronde redenen waren, maar zulks niet gesubstantieerd). Vide ook § 7.2.7.1.
Een andere cluster van beschikkingen omvat de beschikkingen inzake Janssen,27 Fortis,28Synpact,29Polderland30 en Vos31, waarin de respectieve verzoeken hierop afstuitten dat het – naar ik begrijp: ter schraging van de (centrale) stelling dat er gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken te twijfelen – aangevoerde32 slechts betrekking had op de bovenliggende vennootschap, waarvan de verzoeker aandeel- of certificaathouder was.33
Weer een andere cluster bevat de beschikkingen inzake Mondoor34 en Barcofra.35 Daarin faalde het verzoek namelijk om reden hiervan dat er in verband met (de uitstrekking van) het te bevelen onderzoek bij (tot) de onderliggende vennootschappen geen (redengevende) feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht.
Preciezer was de Ondernemingskamer in haar beschikkingen, ook een apart cluster, inzake 2H Media36 en Muntal.37 Daarin liepen de respectieve verzoeken namelijk hierop stuk dat er geen (concrete) feiten en/of omstandigheden waren gesteld die ‘gegronde redenen’ ter zake van de onderliggende vennootschap(pen) konden opleveren. Kort van stof was de Ondernemingskamer in haar, van dezelfde cluster deel uitmakende, B&A-beschikking, waarin zij, kort gezegd, overwoog dat ‘niets’ was aangevoerd dat een gegronde redenen-oordeel kon dragen.38 Tot deze tros behoren ook de beschikkingen inzake Twister Media,39Best Green40 en Care.41 In de laatstgenoemden faalden de verzoeken om reden dat niet (op kenbare wijze) was gesteld op welke gronden getwijfeld moest worden aan het beleid en de gang van zaken van een onderliggende vennootschap respectievelijk dat de gegronde redenen louter betrekking hadden op het beleid en de gang van zaken van de bovenliggende vennootschap. In de eerstgenoemde beschikking strandde het verzoek nu geen enkel bezwaar tegen het beleid en de gang van zaken van een aantal onderliggende vennootschappen was aangevoerd en ook overigens niets was gesteld waaruit kon worden afgeleid ‘dat en waarom sprake zou zijn van gegronde redenen om aan de juistheid van het beleid en de gang van zaken’ van die vennootschappen te twijfelen, waardoor het verzoek in zoverre van onvoldoende feitelijke grondslag was voorzien.
Uit het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat de aan het begin van deze paragraaf opgeworpen vraag bevestigend moet worden beantwoord; bij álle in de concerngenotenenquête te betrekken vennootschappen moet sprake zijn van gegronde redenen om aan de juistheid van het beleid of van de gang van zaken te twijfelen. De verzoeker dient dat te stellen én, belangrijker, te substantiëren. De Ondernemingskamer gaat vervolgens na of de gestelde gegronde redenen daadwerkelijk – per te enquêteren vennootschap (vide ook infra) – aanwezig zijn. Heeft de verzoeker niets gesteld, zijn stelling niet van stoffering (lees: gronden) voorzien of levert het aangevoerde geen gegronde redenen op om te twijfelen aan de juistheid van het beleid en/of de gang van zaken van een of meer onderliggende vennootschappen, dan komt het verzoek in zoverre niet voor toewijzing in aanmerking.
Tot slot vraag ik, apart, aandacht voor de navolgende twee OK-beschikkingen. De eerste betreft de Callas-beschikking. Hierin overwoog de Ondernemingskamer, na te hebben geoordeeld dat er sprake was van gegronde redenen ter zake van het beleid van de twee moedermaatschappijen, dat ‘[v]anwege de onlosmakelijke verwevenheid van Callas Beheer, Callas Initiative en Callas Holding en van het door ieder van deze vennootschappen gevoerde beleid alsmede de economische en organisatorische eenheid van deze drie vennootschappen’ er tot geen andere oordeel kon worden gekomen dan dat ‘op dezelfde gronden’ ook sprake van dergelijke redenen met betrekking tot het beleid van hun dochtermaatschappij, Callas Holding.42 Waarom er wél gegronde redenen waren om te twijfelen aan een juist beleid van die moedermaatschappijen, maar níét, zo vervolgde de Ondernemingskamer, aan dat van die dochtermaatschappij, had een tweetal belanghebbenden ook niet duidelijk kunnen maken.43
Weliswaar stelde de Ondernemingskamer ook in dezen – conform het thans vigerende systeem – ten aanzien van de (mede te enquêteren) dochtermaatschappij vast dat er gegronde redenen waren om aan de juistheid van haar beleid te twijfelen, maar haar benadering was een andere dan die zij normaliter pleegt te volgen. Deze zag er namelijk, naar het lijkt, in dit geval, kort gezegd, aldus uit (een drie-trapsraket). Zijn er gegronde redenen op moederniveau? Zo ja, is er sprake van (een bepaalde mate van) ineenstrengeling van (het beleid van) de (respectieve) groepsmaatschappijen? Zo ja, dan volgt daaruit dat er ook gegronde redenen zijn, en wel dezelfde, op dochterniveau, tenzij duidelijk wordt gemaakt waarom zulks toch niet het geval is. Dit komt dicht in de buurt van een concernbenadering, waarover hoofdstuk elf. Kennelijk kon het beleid van de twee moedermaatschappijen niet, althans moeilijk, van dat van hun dochtermaatschappij worden (af)gescheiden. Er zij evenwel aan herinnerd dat de huidige enquêteregeling uitgaat van de enkelvoudige rechtspersoon, waarin, strikt genomen, het beleid en de gang van zaken van iedere vennootschap op zichzelf zou moeten worden beschouwd.
De tweede beschikking betreft die inzake Setay.44 Daarin kwam de Ondernemingskamer tot het oordeel dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van Setay Beheer, de moedermaatschappij, reden waarom een onderzoek werd bevolen. Vervolgens overwoog zij – en dan komt het – dat waar ‘de werkzaamheden feitelijk plaatsvinden binnen de werkmaatschappij Setay B.V. – en Setay Beheer haar enige bestuurder is – geldt dit [curs. RPJ] evenzo voor Setay B.V.’. Dit oordeel lijkt aldus te moeten worden verstaan dat omdat de werkzaamheden feitelijk plaatsvonden bij de dochtermaatschappij én de moedermaatschappij haar enige bestuurder was, er ook gegronde redenen aanwezig waren – kennelijk dezelfde als ten aanzien van Setay Beheer – om te twijfelen aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van Setay, en deswege een onderzoek daarnaar eveneens geïndiceerd was. Anders dan de Callas-beschikking (vide supra), kwam de Ondernemingskamer dus over een andere band tot gegronde redenen op dochterniveau; de voorliggende beschikking maakte in dit verband geen melding van, onder meer, eventuele onlosmakelijke verwevenheid tussen (het beleid van) de te enquêtereen vennootschappen.