Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/13.2:13.2 Bevindingen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/13.2
13.2 Bevindingen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf worden de bevindingen uit de eerste drie delen kort besproken. Daarbij wordt antwoord gegeven op deelvragen zoals geformuleerd in § 1.2.2. Alleen het antwoord op de vraag naar de mogelijke oplossingen in de vierde deelvraag laat nog even op zich wachten. Daar wordt in § 13.4 nader bij stilgestaan. De deelvragen die mede richting hebben gegeven aan dit onderzoek, waren de volgende.
Wat zijn getuigenverklaringen en onder welke omstandigheden kunnen zij bijdragen aan de strafrechtelijke waarheidsvinding?
Hoe wordt het begrip verklaring van een getuige in het Nederlandse strafproces ingevuld en welke eisen worden in de wet en jurisprudentie van de Hoge Raad gesteld aan de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen?
Hoe krijgt de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in de praktijk vorm en hoe kunnen de daaraan gerelateerde werkwijzen worden gewaardeerd in het licht van de waarheidsvinding?
Hoe verhoudt de strafrechtspraktijk zich tot de geldende regelgeving en wat zijn in dit verband hiaten en mogelijke oplossingen?
Deel I: Getuigenverklaringen als instrument van waarheidsvinding
In het eerste deel stond de getuige als instrument van waarheidsvinding centraal, nog geabstraheerd van de wettelijke regeling. Er is gezocht naar een antwoord op de vraag wat getuigenverklaringen in de kern eigenlijk zijn en onder welke omstandigheden zij kunnen bijdragen aan de strafrechtelijke waarheidsvinding (deelvraag 1). Daartoe is een inventarisatie gemaakt van inzichten die vanuit andere – niet-juridische – disciplines bekend zijn over de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen, zoals de epistemologie, de rechtspsychologie en de forensische linguïstiek. Tevens is gekeken naar de wijze waarop in verschillende procesmodellen met (de waardering van) getuigenbewijs wordt omgegaan, waarbij in het bijzonder is stilgestaan bij de controverse omtrent het gebruik van schriftelijke getuigenverklaringen voor het bewijs zonder dat de oorspronkelijke declarant ter terechtzitting ten overstaan van de rechter of jury is gehoord.
Voor een diepgaander inzicht in het begrip (getuigen)verklaring is de epistemologische literatuur geraadpleegd die betrekking heeft op testimony (dat de getuigenis in brede zin omvat), waarbij aandacht is besteed aan het door Coady gehanteerde onderscheid tussen formal en natural testimony. Een sluitende definitie van het begrip getuigenverklaring valt niet te geven, maar duidelijk wordt wel dat het in de kern gaat om beweringen over de werkelijkheid waarbij de toehoorder wordt uitgenodigd om deze bewering als waar te accepteren op grond van de informatiepositie (position to know) van de declarant. In het onderhavige onderzoek wordt gesproken van een getuige als de declarant zijn informatiepositie ontleent aan zijn eigen waarneming.1 De studie die in het kader van dit onderzoek is verricht naar de epistemologische literatuur, maakt zichtbaar hoe groot de afhankelijkheid van getuigenissen is voor de manier waarop mensen kennis vergaren over de wereld om hen heen. Het laat tevens zien dat de problematiek van kennisvergaring door middel van beweringen van personen universeel is en zich niet alleen in het recht manifesteert.
Onderzoek naar inzichten uit de rechtspsychologie en de forensische linguïstiek maakt duidelijk waar problemen zitten voor wat betreft het vergaren van kennis omtrent het verleden aan de hand van getuigenverklaringen. Ten eerste betreft het problemen ten aanzien van de waarneming en het geheugen. De eigen waarneming is geenszins een neutrale kenbron en het geheugen geen onfeilbare machine en onuitputtelijke opslagplaats. Het menselijk geheugen is evolutionair gezien niet zozeer gericht op het produceren van accurate verslagen van gebeurtenissen in het verleden, de opslag van informatie strekt primair tot het nemen van beslissingen in de toekomst. Ook al is de getuige oprecht, dan nog hoeven diens beweringen niet overeen te komen met de werkelijkheid. Ten tweede betreft het problemen die betrekking hebben op de totstandkoming van een verklaring in rechte. Een getuigenverklaring behelst in de kern een constructie waarbij de persoon ten overstaan van wie de verklaring wordt afgelegd een belangrijke rol speelt in het construeren ervan. De wijze waarop het verhoor wordt afgenomen is van invloed op de kwaliteit van de af te leggen verklaring. Ook bestaat er een wisselwerking tussen de interne geheugenprocessen en de omstandigheden waaronder een verklaring wordt afgelegd. Een onjuiste vraagstelling kan er bijvoorbeeld toe leiden dat informatie in het geheugen wordt opgeslagen die niet voortkomt uit de oorspronkelijke waarneming. De mate waarin de procedure van het verhoor doorwerkt op de inhoud van de getuigenverklaring is niet alleen afhankelijk van de bedrevenheid van de verhoorder, maar ook van persoonlijke karakteristieken van de getuige. Voorts vindt ook bij de verslaglegging een proces van transformatie plaats, waardoor er discrepanties kunnen ontstaan tussen de weergave op schrift en de in werkelijkheid afgelegde verklaring. Op grond van het voorgaande kunnen dan ook – voor wat betreft de totstandkoming van de verklaring – de volgende probleemgebieden worden onderscheiden: 1) de waarneming en herinnering, 2) het afleggen van een verklaring tijdens het verhoor en 3) de weergave van de afgelegde verklaring in het procesverbaal.
Naast de totstandkoming van verklaringen, is ook de waardering van verklaringen door de rechter niet onproblematisch gebleken. Er dient niet alleen aandacht te zijn voor cognitieve processen die zich voordoen bij de getuige, maar ook voor (innerlijke) processen die zich afspelen aan de zijde van de beoordelaar. De rechtspsychologische literatuur die in het kader van dit onderzoek is bestudeerd, biedt steeds meer inzicht in de wijze waarop de waardering van getuigenverklaringen in zijn werk gaat. Het blijkt dat mensen niet goed zijn in het onderscheiden van waarheidsgetrouwe en niet-waarheidsgetrouwe verklaringen. Een andere belangrijke bevinding is dat de vorm waarin informatie door de getuige wordt aangeboden, van invloed is op het beslisproces van de rechter of jury. Zo maakt het voor de mate waarin geloof wordt gehecht aan een getuigenverklaring uit of de rechter de getuige in persoon kan ondervragen of dat hij kennisneemt van de schriftelijke verklaring. Ook de wijze waarop de schriftelijke verklaring is geverbaliseerd is in dit opzicht relevant. Niet alleen de vorm, maar ook het moment van kennisname blijkt van belang te zijn. Op het moment dat de beslisser reeds kennis heeft genomen van het gehele dossier, kan dit van invloed zijn op de waardering van informatie (afkomstig van getuigen of anderszins) die hij op een later moment tot zich neemt.
In het licht van het voorgaande rijst de vraag of getuigenverklaringen wel een deugdelijk instrument (kunnen) zijn om ‘de’ waarheid mee te achterhalen. Geconstateerd kan worden dat met het toenemend inzicht in de cognitieve gebreken die kunnen kleven aan een getuigenverklaring, de getuige als bron van kennis zowel in de epistemologie als in de rechtspsychologie (verder) onder druk is komen te staan. De laatste jaren valt evenwel een voorzichtige rehabilitatie van de getuigenverklaring als deugdelijke kennisbron te signaleren. Zowel binnen als buiten de context van het recht wordt erkend dat getuigenverklaringen een onmisbare bron van kennisverwerving zijn. Een getuigenverklaring kan in veel gevallen wel degelijk een solide bewijsmiddel opleveren. Voorwaarde daarvoor is dat de getuige bereid is naar waarheid te verklaren en dat zijn verklaringen op de juiste wijze worden opgenomen en verwerkt. In dit verband is van belang om een deugdelijke totstandkoming van getuigenverklaringen zoveel mogelijk te faciliteren en om niet-waarheidsgetrouwe verklaringen in een vroegtijdig stadium te identificeren. Het probleem is dat er geen harde indicatoren bestaan om vast te stellen of iemand de waarheid spreekt. In de epistemologie bestaat evenmin consensus over de voorwaarden waaronder het gerechtvaardigd is om geloof te hechten aan een verklaring.
Het recht kent voorschriften en procedures die eventuele fouten in getuigenverklaringen moeten ondervangen en de beslissende autoriteit in staat moeten stellen een gedegen afweging te maken over de geloofwaardigheid van de verklaring. Hoewel elk rechtsstelsel zijn eigen procedures kent, zijn de onderliggende rationaliteiten vergelijkbaar. In dit onderzoek is gekeken naar een tweetal procesmodellen: het Anglo-Amerikaanse en het continentale procesmodel. Daarbij valt een duidelijk verschil te constateren in de vorm waarin getuigenverklaringen aan de beslissende autoriteit (jury of rechter) worden aangeleverd. In het Anglo-Amerikaanse procesmodel ligt het accent sterk op een onmiddellijke informatieoverdracht en worden getuigen in beginsel ter terechtzitting gehoord alvorens hun verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. In het continentale procesmodel ligt van oorsprong meer nadruk op de schriftelijke stukken die zijn verzameld in het vooronderzoek en neergelegd in het dossier. Een belangrijke waarborg is daarbij dat het bewijsmateriaal wordt vergaard en gewogen door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit. Belangrijk om te constateren is dat zowel in de landen die passen in het Anglo-Amerikaanse procesmodel als in landen binnen het continentale procesmodel rechterlijke dwalingen op grond van getuigenverklaringen voorkomen. Er kan dan ook niet worden gesteld dat het ene procesmodel beter is geëquipeerd tot waarheidsvinding dan het andere, wat leidt tot een zekere relativering van het onmiddellijkheidsbeginsel als belangrijkste waarborg voor een deugdelijke feitenvaststelling. Geconcludeerd kan echter worden dat in een episodische procedure, waar het accent ligt op het vooronderzoek, ook waarborgen dienen te liggen in dat vooronderzoek en dat de beslisser zich bewust moet zijn van de cognitieve processen die gepaard (kunnen) gaan met vroegtijdige kennisname van het dossier.
Deel II: Normering en gebruik van getuigenverklaringen in het Nederlandse stelsel van strafvordering
In het tweede deel is ingegaan op het Nederlandse stelsel van strafvordering. Daarbij is aandacht besteed aan de positie die getuigen in dat stelsel innemen, de Nederlandse procescultuur voor wat betreft het horen van getuigen ter terechtzitting en de manier waarop in het stelsel de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen is geregeld. In het bijzonder is stilgestaan bij de invulling van het begrip ‘verklaring van een getuige’ in het Nederlandse strafproces en de eisen die in wet en jurisprudentie van de Hoge Raad zijn gesteld aan de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen (deelvraag 2).
Het Nederlandse strafproces past in het continentale procesmodel in die zin dat het een episodische procesvoering kent met een actieve rechter waarbij het bewijsmateriaal primair van overheidswege wordt verzameld. In vergelijking met de omringende landen op het continent ligt zwaar de nadruk op het schriftelijk procesdossier en worden – relatief bezien – zelden getuigen op de terechtzitting gehoord. Vanwege de procescultuur in Nederland die wordt gedomineerd door het schriftelijk procesdossier staat de Nederlandse strafrechtspleging onder verdenking niet over het juiste instrumentarium te beschikken om de geloofwaardigheid van verklaringen optimaal te toetsen en daarmee de kwaliteit van de strafrechtelijke waarheidsvinding voldoende te kunnen waarborgen.
Een wetssystematische analyse laat zien dat de wetgever van 1926 binnen de episodische procescultuur een onmiddellijke procesvoering voor ogen had waarin getuigen in beginsel ter terechtzitting zouden worden gehoord. Dit blijkt uit de wijze waarop de verklaring van een getuige als wettig bewijsmiddel in artikel 342 lid 1 Sv is geformuleerd en uit de indertijd in de wet opgenomen ficties en het ontbreken van een regeling aangaande het horen van getuigen bij de politie. Op grond van eerdere wetshistorische analyses kan worden aangenomen dat de wetgever het gebruik van de auditu-verklaringen afgelegd bij de politie niet volledig heeft willen uitbannen. Echter, de wetgever heeft voor het gebruik van getuigenverklaringen afgelegd bij de politie geen duidelijke en als zodanig herkenbare voorziening geschapen. De keuze van de Hoge Raad in het De auditu-arrest om getuigenverklaringen, vastgelegd in een procesverbaal van een opsporingsambtenaar, aan te merken als schriftelijk bescheid in de zin van artikel 344 lid 1 sub 2 Sv heeft geleid tot een onduidelijke situatie betreffende de juridische bewijskracht van getuigenverklaringen. De lezer kan niet zonder meer uit de wet afleiden onder welk in de wet genoemd bewijsmiddel de schriftelijke getuigenverklaring valt en welke eisen daarop van toepassing zijn. Weliswaar zijn de eisen die worden gesteld aan schriftelijke getuigenverklaringen in de jurisprudentie sinds 1955 (grotendeels) gelijkgesteld aan de eisen die gelden voor een mondeling ter terechtzitting afgelegde verklaring, de geconstateerde onduidelijkheid is blijven bestaan. De vorm waarin de verklaring tot de rechter komt is nog steeds bepalend voor de ‘rubricering’ van het bewijsmiddel. Uit de wet blijkt voorts niet duidelijk welke personen als getuige moeten worden aangemerkt. Dit alles is problematisch, omdat het een helder zicht op de inhoud van het toepasselijke bewijsrecht belemmert en formalistisch redeneren in de hand werkt.
De in Nederland bestaande rechtspraktijk waarin getuigen veelal niet ter terechtzitting worden gehoord, wordt vaak toegeschreven aan de opstelling van de Hoge Raad in het De auditu-arrest. Echter, dat schriftelijke getuigenverklaringen toelaatbaar zijn voor het bewijs legitimeert niet automatisch een praktijk waarin getuigen niet meer op de terechtzitting worden gehoord. In feite betreft de praktijk na 1926 een voortzetting van de destijds bestaande procespraktijk en kan de dominantie van het dossier bij de besluitvorming als kenmerk van onze procescultuur worden aangemerkt. Het beslissen op basis van schriftelijke stukken is een werkwijze waarmee kennelijk lastig valt te breken. Onder invloed van de jurisprudentie van het EHRM is wel het nodige veranderd. Zo heeft de verdediging meer mogelijkheden gekregen om getuigen te ondervragen. Getuigen worden vaker dan voorheen opgeroepen op het onderzoek ter terechtzitting. Het merendeel van de getuigenverhoren geïnstigeerd door de verdediging geschiedt echter nog steeds in de beslotenheid van het kabinet van de rechter-commissaris. Ook komt het relatief weinig voor dat getuigen ambtshalve door de rechter worden opgeroepen om ter terechtzitting te komen verklaren. Nog steeds is het zo dat de rechter van de meeste getuigenverklaringen kennisneemt door het lezen van het proces-verbaal waarin de verklaringen zijn vervat.
De vraag is hoe problematisch het is dat de beslissende rechter in veel gevallen de getuigen niet zelf hoort. In het eerste deel is immers reeds geconstateerd dat niet zonder meer kan worden gezegd dat een in hoge mate schriftelijke procesvoering tot een minder accurate feitenvaststelling leidt dan een procesvoering waar het bewijsmateriaal in beginsel op het onderzoek ter terechtzitting moet worden geproduceerd. De in Nederland gangbare wijze van proces voeren kent ook voordelen gelegen in het vroegtijdig optekenen van verklaringen en een zekere persoonlijke distantie van de beslissende rechter ten aanzien van het bewijsmateriaal en de personen die een verklaring afleggen. Daar staat tegenover dat een rechtstreekse ondervraging aanvullende informatie kan opleveren over het delict, de persoon van de getuige of verdachte en de omstandigheden waaronder een eerdere verklaring is afgelegd. Deze informatie kan onder omstandigheden van groot belang zijn voor een juiste beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring. Echter, het is aan de discretie van de zittingsrechter overgelaten om te bepalen of het horen van de getuige ter terechtzitting noodzakelijk is voor de waarheidsvinding (of in het belang is van de verdediging). Dat hoeft geen probleem te zijn zodra de zittingsrechter op beslissende momenten maar tot horen overgaat. Immers, ondanks de hiervoor genoemde relativering van het onmiddellijkheidsbeginsel, duiden eerdere onderzoeken alsmede het onderhavige erop dat rechtstreekse toegang tot de oorspronkelijke bron (zonder ‘tussenschakels’) de accuratesse van het beslisproces ten goede komt.
Nu het accent in de Nederlandse procescultuur ligt op het vooronderzoek, dienen ook in die fase waarborgen te bestaan gericht op het ‘optimaliseren’ van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Doordat bij het ontwerpen van onze wettelijke regeling is uitgegaan van een meer onmiddellijke procesvoering, is dit aspect evenwel onderbelicht gebleven. Tot op de dag van vandaag ontbreekt in het Wetboek van Strafvordering een uitdrukkelijke regeling omtrent het horen van getuigen in het opsporingsonderzoek. In de politiepraktijk gelden wel richtlijnen en instructies, maar die zijn in hoofdzaak van toepassing op het verhoren van verdachten en vallen grotendeels buiten het blikveld van de later oordelende actoren. Een verklaring voor het achterwege blijven van een nadere wettelijke normering kan ten dele worden gevonden in de Nederlandse procescultuur, die lange tijd werd gedomineerd door formalismen en het debat over de rechtmatigheid. Er is van de praktijk en de jurisprudentie onvoldoende stimulans uitgegaan om de wetgever te bewegen tot verandering, juist door die preoccupatie met andere zaken. Met name onder invloed van de kritiek van buitenaf is de gevoeligheid voor bewijskwesties de laatste jaren sterk toegenomen en zijn ook juristen meer doordrongen geraakt van de betrouwbaarheidsproblematiek.
Met betrekking tot de waardering van getuigenverklaringen door de feitenrechter moet worden geconstateerd dat het Wetboek van Strafvordering geen regels kent ten aanzien van de wijze waarop het onderzoek naar de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen moet worden vormgegeven en op welke wijze deze moet worden gewaardeerd. Nu de cassatierechter de bewijsbeslissing uitsluitend toetst op haar begrijpelijkheid, zijn criteria met betrekking tot het toetsen van de kwaliteit van getuigenverklaringen (of andersoortig bewijsmateriaal) ook in de jurisprudentie niet ontwikkeld. De Hoge Raad kijkt wel of is voldaan aan de bewijsminimumregel neergelegd in artikel 342 lid 2 Sv. Analyse van de cassatierechtspraak laat zien dat de Hoge Raad zijn eisen recentelijk heeft aangescherpt. Er wordt nu een inhoudelijk verband geëist tussen de verklaring van de getuige en het aanvullend bewijsmateriaal. De Hoge Raad geeft echter geen algemene regels over wanneer het verband voldoende sterk is. Dat is ook bijna niet mogelijk. Dit brengt echter wel mee dat, nu regels of criteria ontbreken, de feitenrechter er grotendeels alleen voor staat als het gaat om de waardering van getuigenverklaringen en de beslissing of aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. Het gebrek aan normering is niet zonder risico’s. Men kan zich immers afvragen of rechters in staat zijn om op eigen kracht psychologische mechanismen te herkennen, onderkennen en op te lossen en of zij zich voldoende bewust zijn van hun eigen rol in het communicatieve proces.
Deel III: Totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in de Nederlandse strafrechtspraktijk
In het derde deel is de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in de Nederlandse strafrechtspraktijk beschreven en geanalyseerd, voor zover de literatuur en de rechtspraak daar zicht op biedt. Daarbij is gekeken hoe de werkwijzen in de praktijk moeten worden geëvalueerd vanuit een perspectief van waarheidsvinding (deelvraag 3) en hoe de strafrechtspraktijk zich verhoudt tot de geldende regelgeving (deelvraag 4).
Onderzoek van de literatuur met betrekking tot de totstandkoming van getuigenverklaringen in de Nederlandse strafrechtspraktijk laat zien dat gedegen kennis over de kwaliteit van de gehanteerde werkprocessen tijdens het verhoor ontbreekt. Dit is een punt van zorg daar uit het eerste deel is gebleken dat de verhorende persoon een belangrijke rol speelt bij het construeren van een strafrechtelijk relevante verklaring en voorts dat aan de verklaringen afgelegd in het vooronderzoek in de Nederlandse procescultuur veel waarde toekomt. De gevolgde procedures zijn voor de beoordelende rechter in ieder geval niet transparant. De werkwijzen van de verslaglegging van het verhoor zijn wel uitvoerig gedocumenteerd in de literatuur. Bij het optekenen van getuigenverklaringen is de monoloog nog steeds de heersende vorm, hoewel met name bij de politie steeds meer variatie valt te constateren. De verslaglegging gaat gepaard met een proces van transformatie waarbij de verklaring als het ware wordt gefixeerd en ten dele van haar nuances en tegenstrijdigheden wordt ontdaan. Als gevolg van de gangbare vorm van verbaliseren in de vorm van een monoloog valt in het proces-verbaal van een getuigenverhoor weinig terug te zien van de inbreng van de verbalisant. Dit wringt nu getuigen veelal niet ter terechtzitting verschijnen, waardoor een eventueel verkeerd ontstaan beeld niet kan worden rechtgezet. Het probleem is het grootst voor wat betreft het verhoor bij de politie. Immers, daar krijgt de getuigenverklaring in de meeste gevallen als eerste vorm, terwijl er in de regel geen raadsman aanwezig is om controle uit te oefenen op de wijze van verhoren en verslag leggen. Een ander punt is dat opsporingsambtenaren in hun processen-verbaal van verhoor in de regel niet verantwoorden waarom voor een bepaalde vorm wordt gekozen. Elke verbalisant doet het anders. De gang van zaken is dus ook in dat opzicht weinig transparant. Aan de werkwijzen met betrekking tot het verbaliseren van verklaringen kleven – bezien vanuit het streven naar waarheidsvinding – dan ook de nodige gebreken. Dat rechters ondanks klachten vanuit de advocatuur lange tijd genoegen hebben genomen met deze manier van werken, kan mede worden verklaard door het grote vertrouwen dat van oudsher wordt gesteld in de politie. Echter, net als bij de getuige is het niet zozeer de integriteit van de politie die in dit verband onderwerp van discussie zou moeten zijn (hoewel in de recente jurisprudentie een aantal voorbeelden is te vinden van zaken waarin de politie ogenschijnlijk doelbewust de verklaring onjuist heeft opgetekend), maar het feit dat politieambtenaren ook gewoon mensen zijn en zich in dit verband veel cognitieve processen voordoen, waarvan zij zich mogelijk niet – of slechts ten dele – bewust zijn.
De gebreken in de verslaglegging staan in rechtstreeks verband met de toetsing van de getuigenverklaring door de rechter. Als gevolg van het ontbreken van zicht op de totstandkoming van de getuigenverklaring lijkt de waardering zich vooral te richten op de innerlijke consistentie van de getuigenverklaring en de overeenstemming daarvan met het overige bewijsmateriaal. Op het niveau van de toetsing van getuigenverklaringen en de beslissing om deze al dan niet voor het bewijs te gebruiken kan voorts worden geconstateerd dat de waarderingsvrijheid van de feitenrechter erg groot is. Dit is onder meer het gevolg van het feit dat inhoudelijke criteria ontbreken waaraan de rechter de betrouwbaarheid van verklaringen dient te toetsen (zoals in het tweede deel is geconstateerd), en van het feit dat de verhouding tussen de toetsing van het individuele bewijsstuk en de beslissing als geheel onvoldoende is geconceptualiseerd. De structuur van het strafproces is gebouwd op verificatie, maar in bepaalde gevallen is het louter verifiëren van de verklaring aan de hand van het overige bewijsmateriaal onverantwoord en is een meer diepgravende toets noodzakelijk. Getwijfeld kan worden of de betrouwbaarheidstoets wel voldoende tot zijn recht komt. Uit eerder eigen onderzoek blijkt dat rechters in bepaalde gevallen geneigd zijn zich bij hun beslissing en motivering te laten leiden door het kader van artikel 359a Sv, vooral wanneer niet is voldaan aan op enigerlei wijze gecodificeerde deugdelijkheidsregels. Het kader van artikel 359a Sv heeft niet tot doel en biedt dan ook onvoldoende houvast om vraagstukken van betrouwbaarheid adequaat af te handelen.
In aanvulling op het voorgaande kan worden geconstateerd dat de rechter maar in zeer beperkte mate inzicht hoeft te verschaffen in zijn beweegredenen die leidden tot zijn uitspraak en het gedane onderzoek naar de betrouwbaarheid. De eisen die worden gesteld aan de motivering zijn betrekkelijk mager en grotendeels afhankelijk van hetgeen door de verdediging te berde is gebracht. Een zwak punt is dat de rechter op dit moment alleen hoeft te motiveren wanneer hij een verklaring gebruikt. Dit kan leiden tot ‘geschiedvervalsing’ indien een belastende verklaring niet wordt opgenomen in het vonnis, terwijl deze wel indirect een rol heeft gespeeld bij de bewezenverklaring. In het verlengde hiervan, een getuigenverklaring waaraan geen geloof wordt gehecht noopt ook niet tot een ambtshalve motivering. Terecht is vanuit de rechtspsychologie aangevoerd dat het louter opsommen van bewijsmiddelen die de hypothese in de tenlastelegging bevestigen, waarbij bewijsmateriaal dat wijst richting onschuld eenvoudigweg buiten beschouwing kan worden gelaten, een eenzijdige en weinig wetenschappelijke manier van het weergeven van de feiten is.2 Nu kan daar tegen worden ingebracht dat de rechter geen wetenschapper is en ook geen wetenschap beoefent. Dat is zeker juist, maar dat betekent niet dat elementaire principes van empirie en logica mogen worden genegeerd, althans, niet als men zich waarheidsvinding tot doel stelt. Wanneer we het belangrijk vinden dat rechters zich naast verificatie expliciet bezighouden met falsificatie, dan is van belang dat zij in voorkomende gevallen ook laten zien waarom aan potentieel falsificerend bewijsmateriaal geen waarde wordt gehecht.
Bij het voorgaande past een kanttekening: dit onderzoek is opgezet vanuit juridisch perspectief en richt zich primair op de rechter als eindverantwoordelijke voor de waarheidsvinding. Echter, de beschrijving van de werkwijzen in de praktijk in dit onderzoek is in hoofdzaak gebaseerd op de bestudering van (juridische en niet-juridische) literatuur. Er is geen zelfstandig empirisch onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke accuratesse van rechterlijke beslissingen over of gebaseerd op getuigenverklaringen. In die zin kan dan ook geen oordeel worden gegeven over de kwaliteit van rechterlijke beslissingen in de praktijk. Wel is het mogelijk gebleken om op grond van het verrichte onderzoek een aantal hiaten in de regelgeving en kwetsbaarheden in de praktijk bloot te leggen.