Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/13.4
13.4 Aanbevelingen
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Conceptwetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten in verband met het gebruik van elektronische processtukken.
Zie onder meer: Rb. Rotterdam 28 maart 2013, LJN BZ7275, Rb. Rotterdam 24 april 2013, LJN BZ9515, Rb. Noord Nederland 16 mei 2013, LJN CA0791, Rb. Zeeland-West-Brabant 25 juli 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5654, Rb. Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA: 2013:11349.
Zie ook Verrest 2013, die stelt dat het niet past bij de rol van de zittingsrechter om de afronding effectief ter hand te nemen (Verrest 2013, §6)
Zie ook Dreissen (2007) die in haar proefschrift eveneens pleitte voor een indringender toets van het bewijsoordeel door de Hoge Raad, zoals dat ook geschiedt door het Bundesgerichtshof in Duitsland.
Röttgering 2013, p. 115.
Kamerstukken II 2003/04, 29 271, nr. 1, p. 7 en 22.
Zie in dit verband ook het concept wetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor van 15 juli 2011.
Het voordeel van die laatste optie is dat de rubricering van de getuigenverklaring niet meer afhankelijk is van de vorm waarin het tot de rechter komt. Ook verklaringen die tot de rechter komen door het bekijken of beluisteren van beeld- of geluidsopnamen kunnen dan onder artikel 342 lid 1 Sv vallen. Nu valt dat nog onder de eigen waarneming van de rechter (wat overigens alleen speelt als het proces-verbaal niet volledig is en de rechter om die reden de opnamen wil gebruiken of als er een discrepantie bestaat tussen het proces-verbaal en datgene wat blijkens de opnamen in werkelijkheid is gezegd).
In een dergelijke mogelijkheid is ook voorzien voor de verdachte in artikel 29a lid 4 Sv van het concept Wetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor.
De vraag waar we nu voor staan is of de geconstateerde kwetsbaarheden met behulp van het juridisch stelsel of juridische middelen uit het strafproces kunnen worden gereduceerd, voorkomen of ondervangen. Duidelijk is dat het gaat om ingewikkelde materie die zich niet uitsluitend laat vangen in meer regels. Niettemin kan naar aanleiding van het verrichte onderzoek een aantal aanbevelingen worden gedaan die hieronder kort worden genoemd en vervolgens worden toegelicht. De aanbevelingen richten zich zowel tot de wetgever als tot de verschillende actoren in het strafproces.
De politie dient verhoren van getuigen zoveel mogelijk in vraag- en antwoordvorm te verbaliseren. Tevens dienen in beginsel alle verhoren te worden opgenomen, zodat meer controle kan worden uitgeoefend op de totstandkoming van de verklaring tijdens het verhoor.
De rechter-commissaris zou een belangrijkere rol moeten vervullen bij het zoeken en toetsen van alternatieve scenario’s.
De feitenrechter dient zijn beslissing over de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen ambtshalve te motiveren indien er signalen zijn dat de verklaring niet op correcte wijze tot stand is komen of er anderszins signalen zijn dat de verklaring mogelijk niet juist is.
De cassatierechter zou de bewijsmotivering indringender moeten toetsen en op die manier kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een helder toetsingskader.
De wetgever dient een regeling op te nemen in het Wetboek van Strafvordering waarin de positie van getuigen en het horen van getuigen door de politie nader worden genormeerd.
Politie/Openbaar Ministerie
In een processtelsel als het Nederlandse waar voor de bewijsbeslissing zwaar wordt geleund op de stukken uit het vooronderzoek, is het van groot belang dat het dossier op zorgvuldige wijze wordt samengesteld en dat het vastleggen van de verklaring zo optimaal mogelijk geschiedt. Voor de waarheidsvinding is het immers essentieel dat de rechter een deugdelijk proces-verbaal onder ogen krijgt dat inzicht verschaft in wat er tijdens het verhoor is voorgevallen, welke vragen zijn gesteld en wat de getuige daarop precies heeft geantwoord.
Dit vereist dat het verhoor zoveel mogelijk in vraag- en antwoordvorm wordt geverbaliseerd. Alleen op die manier kunnen de normatieve processen die gepaard gaan met het verbaliseren van verklaringen tot een minimum worden beperkt. Indien is gekozen voor een andere, verkorte wijze van verbaliseren, dan dient dat uitdrukkelijk in het proces-verbaal te worden verantwoord.
Ten behoeve van de rechterlijke controle op het verhoor is het tevens van belang dat het verhoor op het politiebureau standaard worden opgenomen om de rechter ook de gelegenheid te geven om de totstandkoming van de verklaring van de getuige te kunnen controleren op momenten dat dit nodig wordt gevonden. Op dit moment schrijft de Aanwijzing AVR voor dat verhoren slechts op beeld- of geluidsdrager dienen te worden geregistreerd in de zwaardere zaken. Ook indien het verhoor auditief of audiovisueel is opgenomen, is het noodzakelijk dat een normaal proces-verbaal in vraag- en antwoordstijl wordt opgemaakt en er niet wordt gekozen voor een verkort proces-verbaal. Immers, de opnamen moeten vooral worden gezien als controlemiddel, omdat de rechter niet in elke zaak alle verhoren integraal gaat (of kan gaan) bekijken of beluisteren. Dit is namelijk erg tijdrovend. Ook de toegang van de advocatuur tot de opnamen moet voldoende zijn gewaarborgd. Op dit moment is het beleid dat opnamen van het verhoor in verband met de privacy van de getuige niet in kopie aan de raadslieden ter beschikking worden gesteld. De raadsman mag de opnamen wel op het politiebureau komen beluisteren of bekijken in een speciaal daartoe aangewezen ruimte. Dit kost echter veel tijd. Hoewel er redenen kunnen zijn om de beelden niet in kopie te verstrekken, moet worden voorkomen dat deze in het geheel niet worden bekeken omdat de tijd daarvoor eenvoudigweg ontbreekt. Idealiter worden de beelden tezamen met de overige processtukken in een beveiligde omgeving ter beschikking gesteld, opdat de rechter en de procesdeelnemers deze kunnen bekijken en lezen. Dit is nog toekomstmuziek, maar de eerste stappen daartoe lijken te worden gezet met het concept wetsvoorstel digitale processtukken.1
Rechter-commissaris
Het is van belang dat er een onafhankelijke autoriteit waakt over het vooronderzoek. De wetgever heeft het Wetboek van Strafvordering recentelijk aangepast met het oog op de versterking van de positie van de rechter-commissaris in het vooronderzoek. De rechter-commissaris heeft uitdrukkelijk de taak gekregen om toezicht te houden op de evenwichtigheid en volledigheid van het onderzoek. Tevens heeft rechter-commissaris bij de Wet herziening regels betreffende de processtukken in stafzaken een belangrijke toetsende rol toebedeeld gekregen ten aanzien van beslissingen van de officier van justitie over het voegen of onthouden van stukken. Daarmee heeft de wetgever het belang van een zorgvuldig en evenwichtig samengesteld dossier erkend. Dit brengt niet alleen verantwoordelijkheden mee voor de rechter-commissaris zelf, maar ook voor de organisatie en de overheid die voldoende financiële middelen moet verschaffen opdat de rechter-commissaris die regievoerende rol kan vervullen. Het is in ieder geval van belang dat de rechter-commissaris voldoende handvatten krijgt om zijn taak uit te voeren en dat hij al in een vroege fase wordt betrokken bij het onderzoek, zodat hij daaraan mede richting kan geven. Zijn inbreng zou vooral moeten zijn gelegen in het – op eigen initiatief of op verzoek van de verdediging – onderzoek laten doen naar alternatieve scenario’s. Van belang is dat de rechter-commissaris uitdrukkelijk wordt geschoold in het denken in alternatieve scenario’s.
De vraag is wel op welke wijze de inbreng van de rechter-commissaris gestalte moet krijgen. De wet biedt sinds kort in artikel 185 Sv uitdrukkelijk de mogelijkheid om een regiezitting te houden op het moment dat de rechtercommissaris dat voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk acht. Bij die gelegenheid kan de rechter-commissaris bepalen of nader onderzoek is aangewezen en in welke vorm. Zo zou de rechter-commissaris uitdrukkelijk kunnen kijken naar welke scenario’s nog nader onderzoek moet worden verricht. Op de vraag in welk type zaken een regiezitting moet plaatsvinden, geeft de wet geen antwoord. Dit zou mijns inziens standaard moeten gebeuren in zaken waarin de verdachten zich in voorlopige hechtenis bevinden, tenzij partijen te kennen hebben gegeven daarvan te willen afzien. In andere zaken waarin de verdachte op vrije voeten is, ligt het voor de hand om het initiatief daartoe primair te laten afhangen van de verdediging of de officier van justitie.
Voorgaande roept nog de vraag op hoe de rol van de rechter-commissaris zich verhoudt tot de taak van de zittingsrechter, die ook nader onderzoek kan bevelen. Rode draad in het onderhavige onderzoek vormt de aan onze procescultuur verbonden gedachte dat de zittingsrechter een actieve rol moet innemen. Dat wil zeggen dat hij nader onderzoek dient te (laten) doen naar de wijze waarop het bewijsmateriaal tot stand is gekomen en zo nodig extra onderzoek door de politie, een deskundige of de rechter-commissaris moet laten verrichten indien dat voor de waarheidsvinding noodzakelijk is. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is dat de rechter voor de opening van het onderzoek ter terechtzitting een evenwichtig dossier krijgt voorgelegd waarbij plausibele scenario’s reeds aan onderzoek zijn onderworpen, ook om vertraging zoveel mogelijk te voorkomen. Een samenloop van bevoegdheden speelt vooral in zaken waarin het onderzoek terechtzitting al is begonnen met een pro forma zitting, terwijl het opsporingsonderzoek nog in volle gang is. De vraag is wie dan de regie heeft. In de jurisprudentie zijn inmiddels de nodige zaken terug te vinden waarbij dit aspect aan de orde is gekomen.2 Er lijkt consensus te zijn dat de zittingsrechter vanaf de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de regie voert, maar hij kan op grond van artikel 316 Sv met behulp van een zogenaamde open verwijzing de zaak weer in handen geven van de rechter-commissaris. Dit is, zeker als het onderzoek nog loopt, een praktische oplossing omdat de verdediging zich dan met eventuele onderzoekswensen sneller tot een rechter kan wenden en niet hoeft te wachten tot een volgende pro forma-zitting.3
Feitenrechter
De feitenrechter dient een actievere rol in te nemen door meer falsificerende activiteiten te ondernemen. In dit verband mag van hem worden verlangd dat hij bij de waardering van de verklaring uitdrukkelijk aandacht besteedt aan het proces van totstandkoming, op het moment dat daar aanleiding toe bestaat. Uit de literatuur kan een aantal ‘rode vlaggen’ worden gedestilleerd die nopen tot nader onderzoek. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan suggestie en pressie, het prijsgeven van ‘daderkennis’ en herhaald en langdurig verhoren. Op het moment dat de rechter constateert dat een van die factoren aanwezig is, dan geeft dat aanleiding tot het doen van onderzoek en het ondervragen van de getuige. Nader onderzoek is tevens op zijn plaats op het moment dat aan een verklaring evidente gebreken kleven in de vorm van inconsistenties, onvolledigheden of feitelijke onjuiste beweringen. Datzelfde geldt als er verschillende verklaringen in het dossier zijn neergelegd waarbij getuigen elkaar tegenspreken. De rechter dient tevens inzicht te verschaffen in de gemaakte beoordeling en afwegingen door daar in zijn vonnis uitdrukkelijk een overweging aan te wijden. In die motivering dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de factoren die er op duiden dat de verklaring betrouwbaar is, maar vooral ook aan de factoren die op het tegendeel wijzen.
Een nadere verantwoording opent voorts de mogelijkheid tot een indringendere controle op de bewijsbeslissing. Juist in combinatie met de hierna te bespreken toetsende rol van de Hoge Raad in relatie tot de bewijsbeslissing, valt er belangrijke vooruitgang te boeken. De vraag rijst hoe het stellen van hogere eisen door de Hoge Raad aan het onderzoek en de motivering van de feitenrechter zich verhoudt tot de rechterlijke waarderingsvrijheid. Zowel in de literatuur als in de rechtspraak worden deze twee zaken namelijk vaak met elkaar in verband gebracht. Dit is een misvatting: hogere eisen aan het te verrichten onderzoek en de motivering tasten de rechterlijke waarderingsvrijheid in beginsel niet aan. Wel is het zo dat, indien de rechter een bepaalde beslissing niet kan verantwoorden, hij genoodzaakt is om vrij te spreken. Het zou ook niet anders moeten zijn.
Een nadere onderzoeks- en motiveringsplicht is overigens niet het antwoord op alle problemen. In bepaalde gevallen moet de rechter streng zijn door bewijsmateriaal uit te sluiten dat niet naar de regelen der kunst tot stand is gekomen en waarvan empirisch onderzoek laat zien – dat als gevolg van de mankementen in de totstandkoming – de diagnostische waarde nihil is of niet meer valt vast te stellen. Dit is niet alleen belangrijk voor de accuratesse van het rechterlijk beslisproces, maar daarvan gaat ook een signaal uit naar de politie. Terecht is in de rechtspsychologische literatuur aangevoerd dat als de feitenrechter niet bereid is om consequenties te verbinden aan gemaakte fouten, er ook geen prikkel gaat naar de praktijk om in het vervolg beter onderzoek te doen. De eenpersoonsconfrontatie is daar een duidelijk voorbeeld van.
Cassatierechter
In het creëren van meer waarborgen voor de kwaliteit van de bewijsbeslissing op basis van getuigenverklaringen is – als gezegd – ook een rol weggelegd voor de cassatierechter.4 Wat betreft de controle op de bewijsbeslissing heeft de Hoge Raad zich altijd terughoudend opgesteld. Dat is niet verwonderlijk gelet op diens taakstelling. De cassatierechter buigt zich primair over vragen van recht en niet over de feiten (hoewel feiten en recht sterk met elkaar zijn verweven). De selectie en waardering van het bewijsmateriaal wordt gerekend tot het domein van de feitenrechter, wat resulteert in een marginale toets van de gegeven motivering ten aanzien van de bewijsbeslissing als geheel of de betrouwbaarheid van een individueel bewijsstuk in het bijzonder. De Hoge Raad kijkt in die gevallen uitsluitend of de gegeven motivering begrijpelijk is. Een meer diepgravende toets van de bewijsbeslissing zou kunnen betekenen dat de cassatierechter de rol overneemt van de feitenrechter en diens beslissing in feite nog eens dunnetjes overdoet. De vraag is echter of de cassatierechter ook kan toetsen zonder dat hij meteen een derde feitelijke instantie wordt. Het antwoord op die vraag moet bevestigend luiden. Bij bepaalde soorten bewijsmateriaal waarvan de diagnostische waarde gering of nihil is doordat er fouten zijn gemaakt bij de totstandkoming of de procedures niet in acht zijn genomen, is het voor de Hoge Raad goed mogelijk om dit als ‘niet-redengevend’ aan te merken, zonder dat daar diepgaand nader onderzoek voor hoeft te worden verricht en zonder dat hij daar een eigen afweging tegenover hoeft te stellen. De Hoge Raad kan zich daarbij baseren op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, zoals hij dit bijvoorbeeld ook heeft gedaan voor het verhoor onder hypnose.
Om een meer indringende toets gestalte te kunnen geven, is vereist dat de feitenrechter in zijn vonnis zichtbaar maakt waar de zwakke plekken in de bewijsconstructie zitten, wat de eventuele gebreken zijn van individuele bewijsstukken en hoe hij deze heeft gewaardeerd. Die meer gedetailleerde motivering moet worden afgedwongen door de Hoge Raad door het stellen van hogere of nadere eisen aan de motivering. Immers, strafrechters stemmen hun motiveringen mede af op de eisen die de Hoge Raad daaraan stelt.5 Nadere eisen aan de motiveringsplicht is voorts dé manier om een rechterlijke onderzoeksplicht te activeren. Op het moment dat hij zijn beslissing op bepaalde punten moet verantwoorden, is de rechter ook genoodzaakt hier in het onderzoek op te anticiperen. De gemaakte afweging kan vervolgens door de Hoge Raad op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Zo ontstaat er een wisselwerking tussen de tussen de actieve rol van de rechter en de toetsende rol van de Hoge Raad. Op het moment dat er aanwijzingen zijn dat de getuigenverklaring mogelijk niet waarheidsgetrouw is en de rechter besteedt daar in zijn afweging geen aandacht aan, dan tast dat de begrijpelijkheid van de motivering aan en levert dat grond op voor cassatie.
Langs de weg van de toetsing van de motivering kan de Hoge Raad ook bijdragen aan het tot stand brengen van een toetsingskader voor de betrouwbaarheid, mits hij duidelijk aangeeft waarom een motivering al dan niet begrijpelijk wordt bevonden. Thans expliciteert de Hoge Raad namelijk vaak niet welke maatstaven zijn aangelegd bij de toetsing van de begrijpelijkheid van de motivering. Tegengeworpen kan worden dat het ontwikkelen van een helder toetsingskader vergt dat er min of meer algemene normen kunnen worden geformuleerd. Uit het zesde hoofdstuk is immers gebleken dat uit de wetenschappelijke literatuur geen algemene, positieve maatstaven kunnen worden gedestilleerd aan de hand waarvan de geloofwaardigheid kan worden vastgesteld voor alle type getuigenverklaringen. Dat maakt het voor de Hoge Raad lastig om een toetsingskader te ontwikkelen dat op alle getuigenverklaringen van toepassing is. Het bouwen van een algemeen raamwerk voor rechterlijke toetsing van de betrouwbaarheid, zoals dat ook is gedaan in relatie tot onrechtmatig bewijs, is niet haalbaar. Het gaat immers om wezenlijk andere materie. De rechtmatigheid van de inzet van overheidsbevoegdheden wordt primair door het recht gedomineerd, terwijl het recht voor de vaststelling van de betrouwbaarheid en het nemen van de bewijsbeslissing maar een bescheiden betekenis heeft. De rechter heeft zich bij die vaststellingen vooral te houden aan regels van ‘methodologische’ aard. De Hoge Raad kan echter wel bijdragen aan de theorievorming door een heldere invulling te geven aan door hemzelf gehanteerde begrippen en criteria en aandachtsgebieden te formuleren voor de toetsing en motivering door de feitenrechter.
Wetgever
De wetgever heeft in 2003 het voornemen uitgesproken om in het Wetboek van Strafvordering een aparte regeling voor de getuige op te nemen en heeft daarvoor titel IIIb in het eerste boek van het Wetboek van Strafvordering gereserveerd.6 Dit heeft echter tot dusver geen prioriteit gekregen. Uit de in dit onderzoek gebleken gebreken en zwakheden volgt dat het van groot belang is dat deze regeling er ook daadwerkelijk komt. In die regeling dient te worden aangegeven wie als getuige kan worden aangemerkt, op welke rechten een getuige aanspraak kan maken en onder welke omstandigheden. Nu er tevens iets dient te worden geregeld voor het politieverhoor, ligt het voor de hand om dat ook op deze plek, in de nieuw te realiseren titel voor de getuige, te doen. De rechten van de verdachte bij het politieverhoor zijn immers ook in het eerste boek geregeld.7 Het is vanzelfsprekend ook mogelijk om in de titel van het opsporingsonderzoek een afzonderlijke regeling ten aanzien van het politieverhoor op te nemen, maar dit is in de huidige opzet van het wetboek minder voor de hand liggend.
Hoe zou die nieuwe regeling er in grote lijnen uit moeten of kunnen zien? Allereerst dient te worden aangegeven wie de status van getuige toekomt, waarbij bijvoorbeeld kan worden gekozen voor een tweeledige definitie zoals we die ook kennen voor de verdachte met een materieel en formeel criterium. Als getuige wordt aangemerkt 1) degene die uit eigen waarneming of ondervinding kan verklaren over een strafrechtelijke relevante gebeurtenis of gedraging en 2) degene die in het onderzoek als zodanig door de politie of rechter(- commissaris) is gehoord. Het voordeel van een dergelijke constructie is dat zowel de persoon die kán verklaren, als de persoon die ten overstaan van de justitiële autoriteiten heeft verklaard, aanspraak kan maken op de rechten verbonden aan het zijn van getuige en dat men niet de status van getuige verliest op het moment dat het verklaarde niet relevant (of onjuist) blijkt te zijn. Het is voorts van belang de status van de getuige los te zien van de bruikbaarheid van diens verklaring als bewijsmiddel. Voor wat betreft de bewijsregeling lijkt de definitie van de getuigenverklaring zoals neergelegd in artikel 342 lid 1 Sv nog steeds bruikbaar, met dien verstande dat het vereiste dat de verklaring bij het onderzoek ter terechtzitting moet zijn gedaan, is uitgehold. Immers, ook verklaringen uit het vooronderzoek zijn bruikbaar voor het bewijs, maar die vallen onder artikel 344 lid 1 sub 2 Sv en hebben de ‘status’ van schriftelijk bescheid. De duiding als bewijsmiddel is dus afhankelijk van de vorm. Echter, de speciale bewijskracht die op grond van artikel 344 lid 2 toekomt aan processen-verbaal van politie geldt niet voor processenverbaal van verhoor. Om die discrepantie op te heffen ligt het in de rede om ofwel in artikel 344 lid 1 Sv een aparte bepaling op te nemen voor processenverbaal van verhoor of het uit de wettelijke definitie van artikel 342 lid 1 de zinsnede ‘op de terechtzitting’ te schrappen.8
In een nieuwe regeling voor het politieverhoor dient zowel aandacht te worden besteed aan de inrichting als aan de verslaglegging van het verhoor. Zo ligt het in de rede om het pressieverbod en het daaruit voortvloeiende verbod op het stellen van suggestieve vragen ook voor de getuige op te nemen (dit wordt thans in de jurisprudentie afgeleid uit artikel 29 lid 1 Sv). Tevens dient in de wet te worden opgenomen dat de getuige recht heeft op de aanwezigheid van een raadsman of vertrouwenspersoon, tenzij te verwachten valt dat de persoon die optreedt als vertrouwenspersoon in een latere fase nog als getuige moet worden gehoord. Voorts is het van belang dat de getuige uitdrukkelijk wordt gewezen op het belang van het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring en op het belang van schriftelijke verklaringen voor de bewijsbeslissing. De getuige dient in dit verband bij het afleggen van zijn verklaring zoveel mogelijk de redenen van wetenschap te geven. De verbalisant dient bij aanvang van het verhoor bij de getuige te informeren of en in hoeverre hij voorafgaand aan het afleggen van de verklaring met anderen over zijn verklaring heeft gesproken en hiervan melding te maken in het procesverbaal. In het proces-verbaal dient standaard te worden opgenomen wie bij het verhoor aanwezig waren en hoelang het verhoor heeft geduurd. In de regeling moet ook worden voorzien in richtlijnen ten aanzien van het opstellen van het proces-verbaal waarbij de vraag- en antwoordvorm het uitgangspunt vormt. Tevens is het van belang dat ook de getuige tijdens het verhoor wordt gewezen op de mogelijkheid om zijn lezing over het gebeurde op papier te zetten en toe te voegen aan het procesdossier.9 Ook is een uitdrukkelijke instructie aan de verbalisant op zijn plaats om alles op te tekenen wat relevant kan zijn voor het toekennen van gewicht aan de verklaring. Daarbij kan zowel worden gedacht aan informatie over de persoon van de getuige als over diens bereidheid om medewerking te verlenen aan het politieverhoor.