Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.5.3:17.5.3 Voorlopige slotsom: EVRM-zwijgrecht komt in fiscale boetezaken voldoende tot gelding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.5.3
17.5.3 Voorlopige slotsom: EVRM-zwijgrecht komt in fiscale boetezaken voldoende tot gelding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500779:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorlopige slotsom op grond van vorenstaande is dat het EVRM-zwijgrecht in fiscale boetezaken voldoende tot gelding komt door het boeterechtelijk zwijgrecht voor zuivere boetevragen en de bewijsuitsluitingsregel van de belastingkamer van de HR voor verklaringen ex art. 47, lid 1 AWR. Bezien in samenhang hebben deze waarborgen immers tot gevolg dat boeteoplegging in belastingzaken hoogstens steunt op verklaringen die de boeteling vrijwillig heeft afgelegd. Resteert de vraag of de belastingkamer ook een (absoluut) gebruiksverbod aanneemt voor verklaringen die met schending van art. 29 Sv van de (potentiële) boeteling zijn verkregen. De Straatsburgse rechtspraak noopt hiertoe.
Voor het antwoord op de vraag of het EVRM-zwijgrecht in Nederlandse fiscale boetezaken voldoende tot gelding komt, zijn nog twee hierna te bespreken aspecten van belang, te weten de eventuele doorwerking van de omkering bewijslast in de samenloopproblematiek (zie § 17.8) en het gebruik door de inspecteur van bewijsvermoedens voor het bewijs van de beboetbare overtreding van een fiscaal voorschrift (§ 17.9). Omdat deze aspecten ook raken aan de vraag of in Nederlandse fiscale boetezaken het niet-meewerkrecht voldoende tot gelding komt, zal ik die aan het slot van dit hoofdstuk behandelen.