RvdW 2025/155:Belediging van politieambtenaar (art. 266 lid 1 jo. art. 267 lid 1 onder 2 Sr) en aanwezig hebben van cocaïne in zakjes in zijn garage (art. 2 onder C Opiumwet). 1. Bewijsklacht belediging t.a.v. ‘gedurende rechtmatige uitoefening van zijn bediening’. Kon hof oordelen dat uitlatingen van verbalisanten aan verdachte bezwaarlijk anders kunnen worden begrepen dan als (meermalen) tot hem gerichte vordering om zijn mobiele telefoon neer te leggen, waaraan verdachte geen gehoor gaf? 2. Strafbaarheid belediging. Heeft hof gereageerd op noodweerverweer? 3. Bewijsklacht aanwezig hebben van cocaïne. Kon hof oordelen dat verdachte gelet op alle omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in een van zakjes cocaïne zou zitten? 4. Gebruik van handboeien, art. 22 Ambtsinstructie politie. Kan uit omstandigheid dat verdachte bij zijn aanhouding ‘recalcitrant’ was, worden afgeleid dat er redelijkerwijs gevaar voor inzittenden van politieauto te duchten viel? HR: art. 81 lid 1 RO.