Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.2.2:2.2.2 De opkomst van het inquisitoire proces en vervolging ex officio
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.2.2
2.2.2 De opkomst van het inquisitoire proces en vervolging ex officio
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het beginsel ‘geen klager, geen rechter’, dat mede voortvloeit uit het uitgangspunt van private afdoening, werd al vroeg niet meer van toepassing geacht bij misdrijven tegen personen die zelf niet konden optreden en ook geen bloedverwanten hadden om op te treden. De gemeenschap trad dan tussenbeide. Al in de negende eeuw werden ingezetenen gekozen die zulke misdrijven moesten opsporen en aangeven op de daartoe bestemde plaatsen.1 Het is niet zeker of hieruit het waarheidsproces is voortgekomen, dat voor de vierschaar in het geheim werd gevoerd.2 Dit waarheidsproces geeft duidelijk blijk van een inquisitoire gedachte, omdat daarin de (grafelijke) overheid de materiële waarheid aan de hand van de bekentenis en van getuigenverklaringen tracht aan te tonen.3 In de processen voor de stedelijke schepenbanken vond een soortgelijke ontwikkeling plaats. Daar werd, wanneer een klager ontbrak, de mogelijkheid ingevoerd dat ambtenaren een klacht aan zouden dragen.4
In de Ordonnantie op de Stijl van 1570 werd deze wijze van procederen van overheidswege tot enige mogelijkheid verklaard. In criminele zaken kon slechts nog ‘van officie-wegen’ worden vervolgd.5 Zowel over het extraordinaire als het ordinaire proces wordt gesteld dat het doel het achterhalen van de materiële waarheid is (artikel 7). Beide kenmerken van het strafproces, aan de ene kant het opsporen, vervolgen en bestraffen door de staat, en aan de andere kant het doel van materiële waarheidsvinding en de daarmee samenhangende rechtsverhouding tussen rechter en verdachte, worden als essentieel beschouwd voor de inquisitoire procesvorm.6 In Duitsland onderscheidde men deze twee aspecten met de termen ‘Offizialprinzip’ en ‘Untersuchungsprinzip’. Historisch gezien is in ieder geval de overgang van belang, van een strafvervolging die een privaat initiatief vereiste, naar de strafvervolging als staatszaak, waarbij de overheid krachtens haar ambt een vervolging instelt.7 Om hieraan de uitdrukking ‘inquisitoir’ te verbinden is wellicht minder juist, gesproken zou kunnen worden van het ‘overheidsprincipe’ of het ‘publiekrechtelijk’ karakter van het strafproces.8
De ontwikkeling van het alleenrecht op strafrechtelijke handhaving volgt zodoende uit het op de voorgrond treden van het algemeen belang, dat gediend is met de reactie op strafbare feiten. Dat algemene belang kan worden gezien als het belang van de gemeenschap, maar daarnaast wil de sterker wordende overheid zijn gezag laten gelden. Door de ontwikkeling van de moderne staat wordt dan ook helderder onderscheid gemaakt tussen vergeldende en vergoedende reacties op begaan onrecht. Doordat een duidelijk te identificeren overheidsorganisatie ontstaat, is de private reactie daarom meer gericht op schadevergoeding, hoewel daar ook smartengeld kan worden verkregen, en de publieke voor een belangrijk deel op vergelding.9 Daarmee hangt samen dat de rechter de taak krijgt om ordeverstoringen ambtshalve op te sporen en te vervolgen. Uit die procesvorm blijkt dat de overheid zich boven de gemeenschap ziet geplaatst, en daarom de taak heeft om vrede en veiligheid te handhaven.10 Deze ontwikkeling naar een alleenrecht van de overheid op het instellen van een strafrechtelijke reactie, later als het vervolgingsmonopolie aangeduid, hangt dus samen met het identificeren van een algemeen belang bij strafrechtelijke handhaving. De erkenning van het belang van de rechtsorde bij strafrechtelijke afdoening gaat hand in hand met een monopolisering van het instellen van die actie, en maakt het tevens mogelijk om, wanneer dat belang van de rechtsorde afwezig is, van het instellen van vervolging af te zien. Vanuit dat perspectief zijn het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel sterk gerelateerd, maar wel te onderscheiden.