Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.4.0
4.3.4.0 Introductie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS304899:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Dommering (1983), p. 208 en De Boer (1985), p. 835. Ook de hierboven vermelde Europese rechtspraak gaat van een toetsing van het individuele geval uit. Zie ook o.m. EHRM 24 april 2001, B. en P. versus het Verenigd Koninkrijk, 36337/97 en 35974/97, § 37, waarbij het Hof tot uitdrukking brengt dat het in een voorkomend geval ('on occasion') noodzakelijk kan zijn om vanwege de bescherming of privacy van getuigen of ter bevordering van een vrije informatie- en gedachte-uitwisseling de deuren te sluiten.
Qua terminologie sluit ik aan bij Beijer ( TSCRv), art. 27 Rv, aant. 2 en 3.
Van het beginsel der openbare behandeling mag volgens art. 6 EVRM gedurende het gehele proces of een deel daarvan worden afgeweken in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door een rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtspraak zou schaden.
Men kan de uitzonderingsgronden in art. 6 EVRM indelen naar categorieën, zoals Miehsler en Vogler dat doen: zij onderscheiden algemene uitzonderingsgronden (waaronder zouden vallen de goede zeden, de openbare orde en 's lands veiligheid in een democratische samenleving), speciale uitzonderingsgronden (die vervat zijn in de belangen van minderjarigen en de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces) en een uitzonderingsgrond gebaseerd op de belangen van de rechtspraak.1
Men kan zich afvragen wat de zin is van een dergelijke indeling en of deze wel juist is. De verdragstekst duidt er niet op dat een categorale uitsluiting van openbaarheid, dat wil zeggen een afwijking van openbaarheid per categorie zaken (bijvoorbeeld in enkele soorten familiezaken), voorgestaan wordt. Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat de rechter van geval tot geval door een afweging van belangen dient te beoordelen of tot sluiting van deuren moet/mag worden overgegaan.2
De Nederlandse wetgeving hanteert een tweeledig of twee-groepensysteem ten aanzien van de uitsluitingsgronden van openbaarheid vergelijkbaar met de indeling van Vogler en Miehsler, zij het dat de scheidslijnen iets anders getrokken worden: naast algemene (voor het gehele procesrecht geldende) uitsluitingsgronden acht de wetgever uitsluiting voor bijzondere categorieën van zaken mogelijk (bijzondere/categorale uitsluitingsgronden).3 Hoe verhoudt dit twee-groepensysteem zich tot de uitsluitingsgronden in art 6 EVRM?