Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.4.5.3
4.2.4.5.3 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291689:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 4 mei 2017, zaak C-274/15, BNB 2018/111, m.nt. Swinkels, r.o. 88 (Commissie/Luxemburg) en HvJ EU 12 november 2020, zaak C-734/19, V-N 2020/63.16, r.o. 49 (ITH).
HvJ EU 12 november 2020, zaak C-734/19, V-N 2020/63.16, r.o. 51 (ITH).
HvJ EU 16 september 2020, zaak C-312/19, V-N 2020/45.16, r.o. 50 (XT).
I. Samoy, Middellijke vertegenwoordiging (diss.), Leuven: Katholieke Universiteit Leuven 2005, p. 58, 254 en 255.
In art. 3:110 BW is overigens alleen de mogelijkheid van de directe verkrijging expliciet geregeld. Hoewel de mogelijkheid van een directe vervreemding van de eigendom niet expliciet in het BW is geregeld, wordt aangenomen dat een verkoopcommissionair dit kan bewerkstelligen (G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 468).
S.C.J.J. Kortmann, m.m.v. J.S. Kortmann, Asser/Kortmann 3-III 2017/128 (online, bijgewerkt op 1 oktober 2017).
G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 477.
S.C.J.J. Kortmann, m.m.v. J.S. Kortmann, Asser/Kortmann 3-III 2017/129 (online, bijgewerkt op 1 oktober 2017).
Naar het oordeel van het Hof van Justitie creëert art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn ‘een juridische fictie waarbij twee, binnen de werkingssfeer van de btw vallende, identieke goederenleveringen achtereenvolgens worden verricht’.1 Net als de Europese Commissie in de toelichting op de Tweede Richtlijn (zie paragraaf 4.2.4.5.1), miskent het Hof met dit oordeel dat de juridische fictie van art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn bewerkstelligt dat twee identieke goederenleveringen achtereenvolgens worden verricht en dat het blijkens de bewoordingen van deze bepaling niet vereist is dat die leveringen belastbaar zijn. De soep wordt echter niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de ‘commissionairsbepaling’ van toepassing is indien aan twee voorwaarden wordt voldaan:
er bestaat een lastgeving ter uitvoering waarvan de commissionair voor rekening van de principaal optreedt bij de levering van het goed; en
de door de commissionair afgenomen goederenlevering is identiek aan die welke wordt verricht aan de principaal.2
Uit deze voorwaarden blijkt niet dat art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn slechts van toepassing is indien de levering aan en door de commissionair belastbaar zijn. Wat deze voorwaarden wel laten zien is dat het Hof deze heeft toegespitst op de aankoopcommissionair die op eigen naam, maar voor rekening van de principaal een goed verwerft. Een commissionair kan echter ook op eigen naam, maar voor rekening van de principaal handelen bij de verkoop van een goed.3 In dat geval bewerkstelligt art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn dat een goed door de principaal wordt geleverd aan de verkoopcommissionair en door laatstgenoemde aan een derde. In die situatie dient de tweede voorwaarde naar mijn mening daarom zo te worden gelezen dat de door de commissionair verrichte goederenlevering identiek is aan de goederenlevering door de principaal.
In het ITH-arrest heeft het Hof geoordeeld dat de tweede voorwaarde niet alleen betekent dat de betrokken handeling identiek moeten zijn, maar dat in voorkomend geval het daaraan verbonden eigendomsrecht moet worden overgedragen. Dit oordeel roept de vraag op wat dan nog de toegevoegde waarde is van art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn. Bij een eigendomsoverdracht van het vastgoed aan en door de commissionair zullen beide eigendomsoverdrachten immers reeds op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn kwalificeren als een levering. Zoals in paragraaf 4.2.4.5.1 is aangegeven, lijkt art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn juist te zijn bedoeld voor de situatie waarin juist geen sprake is van een eigendomsoverdracht aan en door de commissionair. Dat ligt gelet op de structuur van art. 14 Btw-richtlijn naar mijn mening ook voor de hand, omdat de gemeenschappelijke deler van de leveringsgelijkstellingen in art. 14 leden 2 en 3 Btw-richtlijn is dat er geen sprake is van een eigendomsoverdracht. Wordt daarvan uitgegaan, dan heeft deze leveringsgelijkstelling voor vastgoedtransacties slechts toegevoegde waarde in die lidstaten waarin de eigendom van het vastgoed het vermogen van de commissionair niet passeert, hetgeen (volgens de heersende leer in de Belgische literatuur) in België het geval is4.
In Nederland lijkt art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn geen toegevoegde waarde te hebben voor vastgoedtransacties. Op grond van het Nederlandse civiele recht bestaat de mogelijkheid van de directe verkrijging of vervreemding van de eigendom namelijk uitsluitend voor roerende, niet-registergoederen.5 Bij de aan- of verkoop van vastgoed door tussenkomst van een commissionair zal civielrechtelijk daarom sprake zijn van een doorlevering van het vastgoed.6 De leveringsgelijkstelling van art. 14 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn is in Nederland dus niet nodig om een levering van vastgoed aan en door de commissionair te bewerkstelligen.7 Bij een eigendomsoverdracht van het vastgoed aan en door de commissionair zullen beide eigendomsoverdrachten reeds op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn kwalificeren als een levering. Is geen sprake van een eigendomsoverdracht aan en door de commissionair, maar een zogenoemde ‘ABC-levering’, dan wordt de eigendom door de derde direct overgedragen aan de principaal of vice versa.8 Ook in die situatie is naar mijn mening reeds op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn sprake van een levering aan en door de commissionair, omdat de derde of de principaal de macht om feitelijk als een eigenaar over het vastgoed te beschikken overdraagt aan de commissionair en de commissionair die beschikkingsmacht vervolgens overdraagt aan de principaal of de derde (paragraaf 4.2.3.3).