Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.5.4
7.5.4 Onderzoekshandelingen onder verantwoordelijkheid buitenland
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614274:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 25 juni 1996, NJ 1996/716.
Zie HR 29 september 1987, NJ 1988/302 m.nt. Van Veen.
Zie HR 25 juni 1996, NJ 1996/715.
Zie de conclusie van AG Meijers voor HR 25 juni 1996, NJ 1996/715.
HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1335, NJ 2000/107 m.nt. Schalken.
Aan het gebruik van de tapverbalen stond geen rechtsregel in de weg, waarbij de HR uitlichtte dat het hof kennelijk mede in verband met het door de raadsman aangevoerde en 6 EVRM, mede heeft gelet op het feit dat verdachte voor sluiting van het GVO op de hoogte is gesteld van het afluisteren. Welke betekenis die laatste overweging heeft, is niet glashelder. Wordt hier een Nederlandse regel toegepast op de Turkse taps, zoals in de gevallen van een buitenlandse huiszoeking op verzoek of wordt hier een 6 EVRM aspect geadresseerd? De annotator gaat ervan uit dat de HR het in de verhelderende conclusie van AG Keijzer als toetsingsmodel ‘C’ gepresenteerde kader heeft toegepast, waarin het optreden in het buitenland zowel aan Nederlands als aan EVRM-recht is getoetst.
Zie HR 10 april 1984, NJ 1984/768 (bevoegdheid pv op te maken van door Nederlandse opsporingsambtenaren in Oostenrijk bijgewoond verhoor door een Oostenrijkse agent, waarbij zij de verhoorde een foto toonden); HR 16 april 1985, NJ 1986/769 (bevoegdheid opsporingsambtenaren om in buitenland – met toestemming van de bevoegde gezagsdragers – onderzoeken en verhoren te verrichten) en 14 september 1987, NJ 1988/ 301 m.nt. Swart (bruikbaarheid pv van verhoor in Duitsland waarbij 2 Nederlandse rechercheurs aanwezig waren).
Met ongerief waaraan de verdachte is blootgesteld kan de zittingsrechter soms wel in de strafmaat rekening houden. Zie HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5973, NJ’ 2009/ 440 m.nt. Buruma (Thaise uitleveringsdetentie).
Bij onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering staat onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten, kan worden gedacht aan onderzoekshandelingen
door de buitenlandse ambtenaren in het buitenland op verzoek van de Nederlandse autoriteiten;
in het buitenland, waarbij door Nederlandse en de buitenlandse ambtenaren van het begin af aan is samengewerkt.
Ad (i): In HR 29 september 1987, NJ 1988/302 m.nt. Van Veen en HR 25 juni 1996, NJ 1996/715 en 716 ging het om huiszoekingen in het buitenland. De uitvoering van het Nederlandse verzoek daartoe werd niet getoetst aan buitenlands recht,1 maar verzoeken tot de toepassing van dit dwangmiddel mochten alleen worden gedaan als aan de voorwaarden voor toepassing daarvan naar Nederlands recht was voldaan: destijds het vorderen van een GVO2 en verlof van de rechtbank.3 Deze rechtspraak is mikpunt geweest van ‘pittige kritiek’4 dat daarin geen recht wordt gedaan aan het territorialiteitsbeginsel op grond waarvan alleen het recht van toepassing is van het land waarin het dwangmiddel wordt toegepast. Andere kritiek betrof het onpraktische karakter van deze ‘dubbele waarborging’ (in Nederland toetsing aan voorwaarden naar Nederlands recht en in buitenland toetsing aan voorwaarden naar buitenlands recht). Zeker in het rechtshulpverkeer tussen bij het EVRM aangesloten landen lijkt dat tegenwoordig wat veel van het goede.
In het standaardarrest uit 2010 is van deze eerdere rechtspraak afstand genomen. Bij onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de autoriteiten van een ander EVRM-land is de toetsing door de Nederlandse strafrechter beperkt tot de vraag of de wijze waarop van de onderzoeksresultaten gebruik wordt gemaakt geen inbreuk maakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. In dat kader zal in het algemeen niet relevant zijn of aan het buitenland verzocht is iets te doen, terwijl niet aan de voorwaarden is voldaan die zouden gelden om datzelfde in Nederland te mogen doen.
Ad (ii) In het standaardarrest uit 2010, waarin het ging om een gezamenlijke actie van Nederland en België vond een deel van de onderzoekshandelingen plaats op Belgisch grondgebied mede door Nederlandse opsporingsambtenaren. Dit handelen werd beschouwd als handelen dat viel onder verantwoordelijkheid van de Belgische autoriteiten.
De eerdere rechtspraak biedt meer voorbeelden van gezamenlijk optreden van Nederlandse en buitenlandse opsporingsambtenaren in het buitenland. Gewezen kan worden op de zogenaamde 4M-zaak.5 Daar werd in samenwerking met de Turkse autoriteiten een infiltratieactie op Turks grondgebied uitgevoerd en werd in Turkije getapt op grond van Turkse tapmachtigingen. Toetsing aan Turks recht door de Nederlandse rechter was volgens de Hoge Raad ook toen al niet nodig, noch wat betreft de infiltratie noch wat betreft de taps. Genoeg was, wat betreft de infiltratie door een Nederlandse politie-infiltrant, dat – kort gezegd – de Turkse autoriteiten ermee akkoord waren.6 Overigens staat het standaardarrest uit 2010 tegenwoordig in de weg aan een beroep van de verdachte op het ontbreken van een dergelijke instemming van de buitenlandse autoriteiten, voor zover het daarbij gaat om het aspect van een mogelijke inbreuk op de buitenlandse soevereiniteit.
Een ander voorbeeld biedt HR 11 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD 2712, NJ 2002/218 m.nt. Buruma, waarin met medewerking van Franse opsporingsambtenaren door Nederlandse opsporingsambtenaren in Marseille een peilbaken op een schip onder Engelse vlag werd geplaatst. Toetsing van dit optreden aan Frans recht door de Nederlandse rechter was volgens de Hoge Raad niet nodig en gelet op de medewerking van de Franse opsporingsambtenaren en de toestemming van de Franse autoriteiten, hoefde de rechtmatigheid van dit handelen niet nader te worden gemotiveerd. Op de klacht dat voor het gebruik van het peilbaken buiten de Franse territoriale wateren toestemming van de vlaggenstaat (Engeland) nodig was, gelet op art. 17 VN-verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, antwoordde de Hoge Raad dat het gebruik van een peilbaken niet viel onder deze bepaling, zodat bedoelde toestemming niet nodig was. De verdediging klaagde niet over dit optreden getoetst naar Nederlands recht, zodat de noodzaak van een dergelijke toetsing in die zaak in cassatie niet aan de orde kwam.
Ook biedt de rechtspraak verschillende voorbeelden van gevallen waarin Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland bij een verhoor aanwezig zijn en daarbij al dan niet ook zelf vragen stelden.7
Ook indien het betrokken buitenland niet bij het EVRM is aangesloten, meen ik dat de toetsing door de zittingsrechter beperkt kan blijven tot art. 6 EVRM. Omdat het EVRM in dat geval in het buitenland niet van toepassing is, kan de verdachte daaraan in dat buitenland ook geen aanspraken ontlenen. Op welke rechten de verdachte aanspraak kan maken in het betreffende buitenland en of daar een rechtsgang bestaat om te worden gecompenseerd voor inbreuk op die rechten, staat niet ter beoordeling van de Nederlandse zittingsrechter.8