Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/8.4.2
8.4.2 Geschillenregeling
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS618048:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De andere drie zijn de uitstotingsprocedure (art. 2:336 BW), de procedure tot ontneming van stemrecht aan vruchtgebruikers en pandhouders (art. 2:342 BW) en de uittredingsprocedure (art. 2:343 BW).
Vgl. W.H.A.M. van den Muijsenbergh en E.R. Koster, SDU Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:343c BW, D.5.
R.o. 4.5, Rb Rotterdam 26 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1926.
R.o. 4.6, Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 9 december 1999,JOR 2000/32, Ondernemingsrecht 2002/27 (Noro/Morepa); r.o. 3.6, Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 16 februari 2010, JOR 2010/96 (Hooymans).
C.D.J. Bulten, De geschillenregeling ten gronde (diss.), Serie VHI deel 108, Deventer: Wolters Kluwer 2011, p. 197-200.
De geschillenregeling bestaat uit een viertal procedures, waaronder de met de Flex-BV geïntroduceerde prijsbepalingsprocedure (art. 2:343c BW).1 De prijsbepalingsprocedure ziet op de situatie dat partijen, die het eens zijn dat één van de aandeelhouders zijn aandelen over gaat dragen aan een of meer van zijn medeaandeelhouders maar het niet eens worden over de prijs, zich tot de rechter kunnen wenden om de prijs van de aandelen vast te stellen. De rechter kan op verzoek van partijen de te benoemen deskundige instructies geven over de waardemaatstaf, de beoogde waarderingsdatum en eventuele overige omstandigheden (art. 2:343c lid 2 BW). Als partijen dit overeenkomen, kan het deskundigenbericht de werking van een vaststellingsovereenkomst hebben (art. 2:343c lid 4 BW). In dat geval zijn de wettelijke bepalingen betreffende het voorlopig deskundigenbericht, voor zover nog nodig, van overeenkomstige toepassing.
Voor zover mij bekend wordt de prijsbepalingsprocedure nog weinig toegepast.2 In één procedure waarin eiseres haar vordering in conventie had gebaseerd op art. 2:343 BW (de uittredingsprocedure), heeft de Recht bank Rotterdam, na geoordeeld te hebben dat niet aan de vereisten van art. 2:343 BW was voldaan, bepaald dat de prijs van de aandelen moest worden vastgesteld.3
Voor de uitstotings- en uittredingsprocedure is in de wettelijke regeling niet voorgeschreven op welke wijze de prijs van de aandelen moet worden bepaald. De Ondernemingskamer neemt “de waarde in het economische verkeer” tot uitgangspunt.4 Bulten vindt dat dit uitgangspunt bevreemdt, omdat het gaat om een vennootschap met een besloten karakter waarvan de aandelen niet vrij verhandelbaar zijn. Een markt of een koers is niet aanwezig.5
Als er een bindend bod beschikbaar is, kan gezegd worden dat dit een indicatie is van de waarde in het economische verkeer. Buiten deze situatie moeten schattingen van de waarde in het economische verkeer worden gemaakt. Daarbij geldt dat hoe meer assumpties en inschattingen ten grondslag liggen aan de bepaling van de waarde in het economische verkeer, des te speculatiever en (rechts)onzekerder de uitkomst is. Voorbeelden van deze schattingen zijn: wie zijn de mogelijke kopers, hoe concreet is hun interesse, welke waarde kennen zij toe aan de aandelen, wat zijn de omstandigheden waaronder het onderhandelingsproces moet plaatsvinden en tot welke prijs kan dit proces leiden? Gezien deze schattingsproblemen en mede omdat in de wet niet is voorgeschreven dat van de waarde in het economische verkeer moet worden uitgegaan, geef ik aan een andere benadering de voorkeur. Die voorkeur licht ik toe in paragraaf 8.5.