Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/4.3.4.1
4.3.4.1 Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254363:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/469.
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services/Kastrop).
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 (Staleman/Van de Ven).
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, AA AA20180502, m.nt. Assink, Ondernemingsrecht 2018, 81, m.nt. Lennarts (Van Niewburg c.s./TMF); daarvoor reeds HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318, m.nt. Maeijer (Pelco/Sturkenboom); dat is slechts anders wanneer artikel 2:11 BW wordt toegepast, vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, JIN 2017/51, m.nt. R.A. Wolf, Ondernemingsrecht 2017/79, m.nt. Mussche en Borrius, NJ 2017, 215, m.nt. Van Schilfgaarde (Kampschöer/Le Roux).
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/441; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/208.
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services/Kastrop).
Zie HR 23 november 2012, NJ 2013, 302, m.nt. Van Schilfgaarde (Spaanse Villa) en HR 5 september 2014, NJ 2015, 21, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014, 296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air); vgl. over de toenemen importantie van de vraag naar de hoedanigheid van een actor Assink 2016, p. 93-94.
Vgl. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, AA AA20180502, m.nt. Assink (Van Niewburg c.s./TMF), waarin de Hoge Raad overweegt dat ‘voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid [curs. JN] onrechtmatig heeft gehandeld’.
Vgl. Timmerman 2017, p. 32.
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21, m.nt. Maeijer en Snijders (Willemsen/NOM); HR 5 september 2014, NJ 2015, 22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services/Kastrop); HR 5 september 2014, NJ 2015, 21, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014, 296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air); HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, AA AA20180502, m.nt. Assink (Van Niewburg c.s./TMF).
Bestuurdersaansprakelijkheid in onderhavige zin heeft betrekking op aansprakelijkheid van bestuurders voor verbintenissen van de rechtspersoon. Daarbij geldt als uitgangspunt het bepaalde in artikel 2:5 BW, dat erop neerkomt dat de rechtspersoon zelfstandig drager is van rechten en verplichtingen. Voor handelen of nalaten is de rechtspersoon dus zelf aansprakelijk; een bestuurder van een rechtspersoon is in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk voor het handelen of nalaten van en/of namens de rechtspersoon. Dat is echter anders wanneer de bestuurder persoonlijk onrechtmatig handelt tegenover een derde en hem daarvan een ernstig verwijt treft.1 Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en alle overige omstandigheden van het geval.2 Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, en het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.3 Het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, brengt met zich dat ten aanzien van iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld of hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (of nalaten) aan hem kan worden toegerekend.4 Van een collectieve aansprakelijkheid, zoals bij artikel 2:9 BW, alsmede de WBA- en WBF-aansprakelijkheid, is bij de toepassing van artikel 6:162 BW geen sprake.
In zijn arrest Ontvanger/Roelofsen heeft de Hoge Raad uiteengezet wanneer een bestuurder aansprakelijk kan zijn jegens een derde voor verbintenissen van de rechtspersoon.5 Onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad daarbij twee gevaltypen onderscheiden en nader geconcretiseerd, te weten (i) de bestuurder heeft namens de vennootschap gehandeld en (ii) de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Ook buiten deze twee gevaltypen kan de bestuurder jegens derden aansprakelijk zijn. Daarbij geldt steeds dat in het algemeen alleen dan kan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem persoonlijk, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Door te verwijzen naar artikel 2:9 BW, dat ziet op de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de rechtspersoon, heeft de
Hoge Raad een uniforme aansprakelijkheidsmaatstaf geïntroduceerd voor de beoordeling van zowel interne als externe aansprakelijkheid van bestuurders.6 In het eerste gevaltype is van een ernstig verwijt sprake wanneer de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de door de derde geleden schade als gevolg van deze niet-nakoming. In de kern gaat het hier om de eis dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.7 Bij het tweede geval is in ieder geval sprake van een ernstig verwijt indien komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te weten dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
Steeds gaat het bij bestuurdersaansprakelijkheidskwesties om het handelen van de betrokkene bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap.8 De omstandigheid dat in hoedanigheid is gehandeld, is het kenmerkende element van bestuurdersaansprakelijkheid.9 Is in de hoedanigheid van bestuurder gehandeld, dan geldt een verzwaarde maatstaf; ontbreekt deze hoedanigheid bij het gewraakte handelen, dan gelden ‘de gewone regels’ van artikel 6:162 BW. Een belangrijk element van de verzwaarde maatstaf is het ‘wetenschap van benadeling’-criterium. De voorzienbaarheid van benadeling vormt als zodanig de hoge drempel die in bestuurderaansprakelijkheidskwesties moet worden gehaald.10 Deze hoge drempel wordt door de Hoge Raad met twee gronden gerechtvaardigd, namelijk (i) de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en (ii) het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.11