De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.1:5.8.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.1
5.8.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949595:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is uiteengezet dat de verschillende examens (en examenonderdelen) aangemerkt moeten worden als een besluit in de zin van de Awb. Dit betekent dat de rechtsbescherming van de leerling ten aanzien van deze besluiten in beginsel wordt beheerst door het bestuursrecht. Dit leidt evenwel tot beperkte rechtsbescherming. Uit de Awb vloeit voort dat geen bezwaar en beroep openstaat tegen beslissingen inzake het kennen of kunnen van een leerling die geëxamineerd is. Alvorens nader in te gaan op wat dit betekent voor de rechtsbescherming van de leerling, wordt eerst dieper ingegaan op het uitzonderen van beslissingen inzake het kennen of kunnen van rechtsbescherming. Deze uitzondering bewaakt dat de bestuursrechter niet kan treden in een beoordeling die door de vakdeskundige examinator tot stand is gebracht. De beperkte rechtsbescherming van de leerling ten aanzien van examenbeslissingen borgt dan ook de autonomie van de leraar die de beoordeling heeft uitgevoerd.
Alvorens dieper in te gaan op de rol van de bestuursrechter bij examens, wordt eerst een teruggeblikt. In 1915 speelde reeds een zaak waarbij een promovendus en promotor in conflict raakten over de beoordeling van een proefschrift. Hier stond ook de vraag centraal in hoeverre (in dit geval) de minister kon ingrijpen in de autonomie van de promotor om zelfstandig het proefschrift te beoordelen. Na deze casus kort te hebben beschreven wordt ingegaan op de verschillende algemene wetten over het bestuursrecht die vanaf 1963 tot stand zijn gebracht en op welke wijze examenbeslissingen daar een rol in spelen. Het idee dat geen beroep openstaat tegen beoordelingsbeslissingen heeft sinds 1963 een grote ontwikkeling doorgemaakt van obscuur idee tot een vaste rechtspraktijk in het bestuursrecht. Deze praktijk geeft een helder beeld van hoe de autonomie van de leraar bij het nemen van beoordelingsbeslissingen wordt gezien in het licht van het bestuursrecht. Ook wordt hieruit duidelijk dat het terughoudend toetsen van beoordelingsbeslissingen de rechtsbescherming van de leerling beperkt. Ten slotte wordt ingegaan op de Awb en de wijze waarop een bestuursrechter nu een beslissing inzake een examen toetst.