De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.3:5.8.3 De Wet Beroep Administratieve Beschikkingen (1963)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.3
5.8.3 De Wet Beroep Administratieve Beschikkingen (1963)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949619:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 21 Wet BAB.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de hiervoor geschetste casus blijkt dat rechtsbescherming in het (hoger) onderwijs lange tijd geen gemeengoed was. De onderwijssectorwetten van die tijd kenden nog geen regeling over de rechtsbescherming van de leerling bij examenbeslissingen. De leerling was dan ook in beginsel op de school aangewezen indien hij zich niet kon vinden in de beoordeling van zijn examen.
De wetgever schrijft dat na de Tweede Wereldoorlog in het algemeen de roep om verhoogde rechtsbescherming weer levendig is geworden.1 Dit zou komen door toenemend overheidsingrijpen in het maatschappelijk leven. Dit ingrijpen leidde tot een groei aan administratiefrechtelijke bepalingen en het toekennen van ruime bevoegdheden aan het bestuur. Een tweede argument voor het invoeren van een algemeen stelsel van administratieve rechtspraak was dat dit werd gezien als het sluitstuk van de rechtspraak. Eerdere voorstellen hiertoe van bijvoorbeeld de commissie Kappeijne van de Coppello en de commissie Koolen en de daaruit voortvloeiende wetsontwerpen uit respectievelijk 1905 en 1932 bereikten het Staatsblad niet. De Wet Beroep Administratieve Beschikkingen (Wet BAB) uit 1963 bevatte aldus de eerste algemene regeling van administratieve rechtspraak.2
Onder de Wet BAB gaf de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State advies aan de Kroon over het ingestelde beroep. De Wet BAB kende een aantal belangrijke beperkingen in de geboden beroepsmogelijkheden. Ten eerste was er in artikel 5 een lijst opgenomen met beschikkingen waartegen geen beroep openstond. Hieronder vielen bijvoorbeeld beschikkingen genomen in verband met oorlog of rampen maar ook beschikkingen over benoemingen en belastingen. Een tweede beperking was de zogenaamde ‘negatieve lijst’.3 Op de negatieve lijst waren wetten opgenomen waarop de Wet BAB niet van toepassing was. Deze negatieve lijst is in het bijzonder van belang voor het onderwijs. De onderwijswetten waren als geheel op de negatieve lijst geplaatst.4 De betreffende onderwijswetten werden niet afzonderlijk benoemd in de bijlage, de wetten werden slechts aangeduid als de ‘onderwijswetten’. Hierdoor stond op grond van de Wet BAB geen beroep open tegen beschikkingen die waren genomen op grond van de onderwijswetten, waaronder beschikkingen inzake examens. De wetgever was van mening dat deze wetten reeds al een vrij afgeronde beroepsregeling hadden.5